9.1 Kleurgebruik in het interieur in de 17de eeuw

Uit AgriWiki
Versie door Ewoud (Overleg | bijdragen) op 16 apr 2013 om 22:48 (Heeft "9.1 Kleurgebruik in het interieur in de 17de eeuw" beveiligd: Boekpagina's (‎[edit=sysop] (vervalt niet) ‎[move=sysop] (vervalt niet)))

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
De boereninterieurs werden vaak weergegeven als een Jan Steen-achtige bende. (Adriaan van Ostade, boeren gezelschap in binnenhuis). Bron: Rijksmuseum Amsterdam.
De ‘Hollandse properheid’ vastgelegd in het stedelijke interieur. (Pieter de Hoogh, vrouw met kind in een kelderkamer). Bron: Rijksmuseum Amsterdam.
Het restant van een rijke 17de eeuwse schouwboezem uit een boerderij in Brandwijk. Te zien in Historisch Museum Het Voorhuis [1] Foto: Frits van der Gronde. Voor meer informatie over dit bouwhistorisch onderzoek [2]
Het lijkt wel alsof de tijd hier stilgestaan heeft. Dit interieur straalt de sfeer uit van de tweede helft van de 17de eeuw. De kalklaag is gekleurd met rode dodekop. Foto: Beeldbank Stichting Boerderij & Erf.
Hoewel dit geen boerderij is, is dit wel een eenvoudig en doelmatig interieur. Opvallend is dat de binnenzijde van het kozijn en beide zijden van de deur donkergrijs zijn. De buitenzijde van het deurkozijn is gebroken wit. De rest van het interieur is waarschijnlijk onbeschilderd eiken. (Jacob Vrel, meisje bij ziekbed 1650-1660). Bron: Koninklijk Museum van Schone Kunsten, Antwerpen

Dit artikel gaat over de ontwikkeling van het kleurgebruik in het interieur van boerderijen in het Groene Hart in de 17de eeuw.

Er is vrijwel niets over kleurgebruik in de 17de eeuw van het boerderij-interieur geschreven. Er zijn wel een paar wat romantisch aandoende schilderijen. Maar of het boereninterieur altijd zo’n Jan Steenachtige bende was is natuurlijk de vraag. Gelukkig zijn er nog voldoende oude boerderijen die hierover informatie kunnen geven. Zo weten we dat de wanden altijd gepleisterd zijn geweest. Een dunne pleisterlaag van kalk en zand werd daarvoor op het metselwerk aangebracht. Afhankelijk van het gebruikte zand zijn pleisterlagen vaalwit of licht okergeel en wat gevarieerd van kleur. Onder deze lagen zijn soms restanten van een oude geelbruine leempleisterlaag te vinden. Als je de schilderijen van onder andere Adriaen van Ostade moet geloven werden deze met kalk gepleisterde wanden niet afgewerkt met een witkalklaag. In iedere boerderij komen we echter flinke pakketten witkalk tegen op de wanden. Maar het is meestal niet duidelijk of men al vanaf de bouwtijd begonnen is met het jaarlijks witten. De schilderijen, zoals van Pieter de Hoogh met stedelijke interieurs, stralen wel een Hollandse properheid uit. Waarschijnlijk was het vroeger net als nu. De voorgevel moet netjes zijn en niet onder doen voor de buren, maar in het interieur kwam het er niet zo op aan. Op basis van jarenlang bouwhistorisch onderzoek in het Groene Hart kan gesteld worden dat de interieurs van de rijke boeren veel verwantschap hadden met de stedelijke interieurs zoals Pieter de Hoogh die schilderde. De interieurs van de arme keuterboeren zullen meer geleken hebben op de interieurs die Adriaen van Ostade schilderde. Eén ding hebben deze twee type interieurs gemeen: er werd nog nauwelijks geverfd. Eikenhout domineerde vanouds het interieur en dat gold ook in de eerste helft van de 17de eeuw. Soms sober en onversierd. Soms met rijk gebeeldhouwde zwanenhalskorbelen, schouwlijsten en bedsteden. Het eikenhout was bijna altijd onbeschilderd. Het werd waarschijnlijk wel in de was gezet. Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw wordt hoofdzakelijk grenenhout of hergebruikt eikenhout toegepast. Dit werd bij voorkeur geschilderd, hoewel er ook voorbeelden zijn dat dit niet, of pas veel later werd gedaan. Het schilderen begint in het voorhuis. Het houtwerk wordt vaak in één kleur geschilderd, waarbij rode oker (of een daaraan verwant pigment) verreweg het meest populair is. Soms koos men voor gele oker, paarse dodekop, appelbloesem, of heel sober leigrijs. De muren worden gewit, soms met een rood biesje of een rode onderkant.

Witte muren waren in de slecht verlichte vertrekken ook praktisch, het weinige licht werd optimaal gereflecteerd. In de 17de eeuw worden ook nog vaak lijmverven gebruikt die een transparante, helder gekleurde verf geven. In de eerste helft van de 17de eeuw kunnen rankenbeschilderingen voorkomen op de balklaag en op het plafond. In de tweede helft van deze eeuw worden de balken soms beschilderd met biezen. Versieringen werden verder aangebracht door veelkleurige of blauwe tegeltjes op de plint of onder de schouw. Vanaf circa 1650 werden er meer (vooral witte) tegels toegepast naast de donkere roetbaan van de schouw. Op de vloer lagen rode of blauw gesmoorde plavuizen, soms in een patroon gelegd. Alleen de opkamer en de zolders hadden grenen vloerdelen.

Verder lezen

Bron

Deze tekst is gebaseerd op:

  • Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland (Hardinxveld-Giessendam 2006)

Deze publicatie is tot stand gekomen door eigen onderzoek en o.a. de volgende bronnen:

  • L. Boot e.a., Van Hoogmade naar Arnhem, Lotgevallen van de boerderij Boskade 11 in de Bospolder bij Hoogmade 1600-2004 (Arnhem, 2004).
  • W. F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen: de uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940 (’s-Gravenhage, 1984).
  • M. de Keijzer en P. Keune, Pigmenten en bindmiddelen (Amsterdam, 2001).
  • L. Simis, bewerkt door H. Janse, en J. Berghuis jr., Schilder- en Verfkunst (’s-Gravenhage, z.j.).
  • W. van Wijk, Dordtse Kleuren (Breda, 2002)
  • H. J. Zantkuyl, Bouwen in Amsterdam (Amsterdam, 1973-1992 p. 94-108)