Utrechts hallenhuis: verschil tussen versies

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
 
Regel 31: Regel 31:
  
 
[[categorie:Boerderijtypologie]]
 
[[categorie:Boerderijtypologie]]
 +
[[categorie:Utrecht]]
 
[[categorie:Regionale verschillen]]
 
[[categorie:Regionale verschillen]]
 
[[categorie:Houtconstructies]]
 
[[categorie:Houtconstructies]]

Huidige versie van 8 feb 2016 om 16:55

Indeling hallenhuis. Bron: C. van Groningen, Boereninterieurs, In: Interieurs belicht, Zwolle 2001, p.122.
Ankerbalkgebint in boerderij De Ark te Amerongen. Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Ankerbalkgebint in boerderij Vroegh te Bunnik. Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Fout bij het aanmaken van de miniatuurafbeelding: Het was niet mogelijk het miniatuurbestand op de doellocatie op te slaan.
Ankerbalkgebint. Bron: S.J. van der Molen, Kijk op boerderijen, Amsterdam/Brussel 1979, p.37.
Boven: sporenkap, onder: kap met dekbalkjukconstructie. Bron:T. van der Heyden (red), Nederland dichterbij. Boerderijentypes Nederland, Den Haag 1996, p.11.
Fout bij het aanmaken van de miniatuurafbeelding: Het was niet mogelijk het miniatuurbestand op de doellocatie op te slaan.
Hallenhuis met ankerbalkgebint. Bron: R. van Acqouy, Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, jaarboek 1983.

Het halletype komt in Utrecht veelvuldig voor. Aan de hand van een omschrijving door de Stichting Historisch Boerderij-onderzoek van de constructie, de kap, de indeling en de verspreiding wordt de verschijningsvorm van dit type boerderij in Utrecht hieronder uitgelegd.

Constructie

Het halletype bestaat in zijn eenvoudigste opzet uit een compacte, driebeukige bouwmassa, waarbij woon- en bedrijfsruimten zich onder hetzelfde dak bevinden. Voor- en achterhuis zijn van elkaar gescheiden door een muur in dwarsrichting. De draagconstructie wordt gevormd door een houtskelet, bestaande uit een aantal op vaste onderlinge afstand geplaatste ankerbalkgebinten. Bij deze constructie bevindt de gebintbalk zich op een wat lager niveau tussen de beide stijlen en is daarmee verbonden door een aan de buitenzijde met wiggen verankerde, doorgaande pen-en-gatverbinding pen-en-gatverbinding. De afzonderlijke gebinten, die hun stabiliteit in dwarsrichting ontlenen aan de diagonale schoren, tussenstijlen en balk, staan op stenen poeren en worden aan de bovenzijde in lengterichting gekoppeld door de gebintplaten, die de daksporen dragen. Aan weerszijden van de gebinten loopt het dak laag af, de zijmuren hebben bij het halletype over het algemeen een geringe hoogte. Tussen de beide rijen gebintstijlen bevindt zich de hoge middenbeuk, met daarbuiten aan weerszijden de lagere zijbeuken. De gebinten staan op vaste onderlinge afstanden; de ruimte tussen twee gebinten heet een vak en de omvang van boerderijen wordt traditioneel uitgedrukt in het aantal gebintvakken.

Kapconstructie

De kapconstructie bestaat in de oostelijke provincies meestal uit een eenvoudige sporenkap. In het midden en westen van het land (waaronder de provincie Utrecht) treft men overwegend een aan, waarbij de sporen halverwege worden ondersteund door platen of gordingen. Hier komt bij de oudere boerderij en vooral de constructie met dekbalkjuk algemeen voor. Het gewicht van het dak wordt vrijwel geheel gedragen door de gebinten; de wanden hebben hoofdzakelijk een afsluitende functie. De gebinten verlenen het gebouw behalve zijn draagstructuur tevens een onderverdeling in langs- en dwarsrichting. De driebeukige opzet in dwarsrichting en de onderverdeling in gebintvakken in langsrichting vormen tezamen het basisstramien voor de indeling van de boerderij. Dit principe is bij het halletype door het hele gebouw heen terug te vinden. Het woongedeelte beslaat een ruimte ter grootte van één of twee gebintvakken en de scheidingsmuur met het bedrijfsgedeelte bevindt zich ter plaatse van het eerste of tweede gebint.

Indeling

In het voorhuis doet de middenbeuk dienst als de voornaamste woonruimte, terwijl de lagere zijbeuken vooral secundaire werk-, slaap-, of bergruimten bevatten. Hier vindt men een kleine kelder, spoelruimte, voorraadkamer, bedsteden of slaapkamertjes. De stookplaats is meestal gesitueerd tegen de scheidingsmuur tussen voor- en achterhuis, die daarom ook wel brandmuur wordt genoemd. De voornaamste vensters bevinden zich in de kopgevel en vaak vindt men hier ook de voordeur. Het achterhuis bevat het bedrijfsgedeelte, met werkruimte, tasruimte voor de oogst en stallen voor de levende have. De brede middenbeuk wordt geheel in beslag genomen door de deel, die in de as van het gebouw ligt en daarom midden-langsdeel of langsdeel wordt genoemd. Op de lemen vloer van de deel vonden bij het oude gemengde bedrijf alle voorkomende werkzaamhedenplaats: hier werd gedorst, gevoerd etc. De beide buitenstijl-ruimten bevatten de stallen, met het vee opgesteld met de koppen naar de deel. De oogst werd bewaard op een slietenzoldering boven de deel. Het ongedorste graan of het hooi werd op deze zolder gebracht door een luik in de achtergevel of van binnenuit, via een opening in de zolder. De lage zoldertjes boven de stallen in de zijbeuken dienden als bergruimte voor hooi, stro en gereedschap. Deze voor het halletype zo kenmerkende indeling is ook van buitenaf zichtbaar door de plaats van de grote inrijdeuren in het midden van de achtergevel. De stal- of mestdeuren bevinden zich aan weerszijden van de deeldeuren of ook wel in de zijgevels.

Verspreiding

Deze eenvoudige, van oorsprong laat middeleeuwse huisvorm heeft in opzet een zeer grote verspreiding gekend. In de loop der tijd heeft het halletype zich echter in de afzonderlijke gebieden op sterk verschillende wijze ontwikkeld, al naar gelang de plaatselijke geografische, landbouwkundige, economische en sociale omstandigheden. Indeling, gebruik,constructie en hoofdopzet ondergingen tijdens dit proces meer of minder ingrijpende wijzigingen, waarbij incidenteel zelfs essentiële kenmerken verloren gingen. Voor- en achterhuis hebben zich bovendien grotendeels onafhankelijk van elkaar ontwikkeld, waardoor een groot aantal combinaties mogelijk is. Ook binnen de provincie Utrecht bestaan enkele streekgebonden varianten op het uitgangstype. Een aantal aspecten van de hallehuisontwikkeling komt echter door de hele provincie heen voor. Het betreft hier met name de ontwikkeling van woon- en werkruimten in het voorhuis, waarvan een aantal variaties in de loop der tijd een zeer brede geografische verspreiding heeft gekregen.

Bron

Deze tekst is afkomstig uit: Stichting Historisch Boerderij-onderzoek, Landelijke bouwkunst. Utrecht, Arnhem 1993. De mappen Landelijke bouwkunst van de SHBO met opmetingstekeningen zijn in te zien in de bibliotheek van de RCE.

Verder lezen