2.0 Kapspanten

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Het dak van een oude boerderij of een kleiner historisch gebouw bestaat in de regel uit een reeks sporen in de schuinte van het dak, waarop horizontale pan- of rietlatten zijn gespijkerd die de dakbedekking dragen. De meest voorkomende historische dakbedekkingsmaterialen zijn dakpannen en riet of stro. Bij de sporen worde twee wezenlijk verschillende constructiewijzen onderscheiden. In ons land overheerst de constructie, waarbij de sporen zelfdragend zijn, dat wil zeggen dat ze op een plaat staan, paarsgewijs verbondendoor een sporenhout, terwijl een nokgording ontbreekt. In het andere geval hangen de sporen paarsgewijs over een nokgording die op een kapspant rust. Dit onderscheid wordt tot uitdrukking gebracht in de omschrijvingen zelfdagende sporen en hangende sporen; andere auteurs kiezen voor respectievelijk sporen en kepers.

Het dak van sporen, latten en dakbedekking rust dikwijls op een afzonderlijke draagconstructie op zolderniveau. De kapgebinten, kapspanten of kortweg spanten die de dragende onderdelen van deze kapconstructie vormen, staat steeds dwars ten opzichte van de nok van het dak. Zij worden vrijwel altijd onderling gekoppeld door platen (jukplaten c.q. spantplaten) of gordingen, waarop of waartegen de sporen van het dak rusten. Schoren (windschoren) tussen de kapspanten en de platen of gordingen zorgen voor de stabiliteit van de kap in de lengterichting. Kapspanten zijn soms met verticale stijlen geconstrueerd, maar meestal met schuin geplaatste of gekromde benen. Meestal maken ook één of meer horizontale balken deel uit van een kapspant en vaak ook twee of meer schoren. Op een kapspant, waarvan de benen (of stijlen) niet doorgaan tot in de nok, kan een tweede kapspant geplaatste zijn. Zo zijn soms wel vijf kapspanten op elkaar geplaatste, maar in de landelijke bouwkunst is dat aantal meestal niet groter dan twee of drie. Zo’n samenstel van op elkaar geplaatste kapspanten noemen we een stapelspant. In de kapspanten kunnen verscheidene typen worden onderscheiden. Bij het jongste type zijn de benen samengesteld uit vrij kleine elementen, die met spijkers en bouten aan elkaar zijn bevestigd (Philibert- of schenkelspanten). Bij de oude typen bestaan die benen uit één stuk hout. Hierbij is in eerste instantie onderscheid te maken tussen kapspanten die benen (en/of één stijl) hebben die tot in de nok doorlopen, en kapspanten die dat niet hebben. Voor de eerste groep bestaat geen algemeen gebruikelijke verzamelnaam; in het vervolg zullen ze nokspanten genoemd worden. De tweede groep omvat diverse typen jukspanten. In de nokspanten kunnen drie typen worden onderscheiden, namelijk de driehoekspanten, de schaarspanten en de nokstijlspanten; bij elk van die typen bestaan vele varianten. Hoewel kapspanten in de regel op een gebint of op een zolderbalk staan, komt het soms voor dat zij op maaiveldhoogte op poeren zijn geplaatst. Dit kan het geval zijn bij schaapskooien en schuren. Meestal betreft het jukspanten, maar soms ook nokspanten. Net als aan gebintstijlen kunnen ook aan de benen van kapspanten uitkragingen voorkomen voor het dragen van platen of gordingen onder de sporen of de oplangers. Die uitkragingen bestaan uit een spantuitkraaghout en een spantuitkraagschoor. In veel gevallen kan echter worden voldaan met een klos. Evenals bij de gebinten kan men soms ook bij kapspanten de combinatie met een stenen muur aantreffen. Die stenen muur neemt dan de plaats in van één been of stijl van een jukspant of van het benedenstuk van het been van een nokspant; ook kan één van de stijlen van een standjukspant een muurstijl zijn.

Schema kapspanten

Verder lezen

Bron

  • G. Berends, Historische houtconstructies in Nederland, Arnhem 1999