3.1 Sporenkappen

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Sporenkappen zijn samengesteld uit een reeks achter elkaar opgestelde sporenparen. In de landelijke bouwkunst bestaat een sporenpaar meestal uit twee sporen, verbonden door één sporenhout. Soms is het dak versterkt met ronde gordingen of een nokhout. Om het scheef zakken of schranken van de kap tegen te gaan zijn onder tegen de sporen gewoonlijk schuin oplopende sporenschrankhouten aangebracht. Deze kunnen echter ook òp de sporen zijn bevestigd, al dan niet ingelaten. De sporen rusten aan de voet meestal op gebintplaten of muurplaten, maar soms op wandstijlplaten of sporenvoetplaten. In het oosten van het land hebben dergelijke kappen vaak houten topgevels. De verticale beplanking daarvan is dan gespijkerd tegen een sporenpaar met een groter aantal sporenhouten, die bij de grotere topgevels worden onderbroken door een of twee stijlen. De sporen over de zijbeuken van boerderijen en schuren worden oplangers genoemd. Onder steunen zij op een zijbeukgebintplaat, een wandstijlplaat of een muurplaat en aan de bovenzijde tegen een gebintplaat of tegen een op die gebintplaat staande schoor. Tot de sporenkappen behoren de oudste bewaard gebleven kapconstructies, die uit de 13de eeuw dateren. Sporenkappen komen in het hele land voor, maar bij boerderijen vooral in het oosten van het land.

Verder lezen

Bron

  • G. Berends, Historische houtconstructies in Nederland, Arnhem 1999