7.1 Kleurgebruik in het exterieur in de eerste helft 17de eeuw

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Eeuwenlang werden de kleuren boerderijen bepaald door natuurlijke kleuren; riet, leem, kalk, baksteen en aardpigmenten. (Gebaseerd op een detail van de Rust op de vlucht naar Egypte door Joachim Patenier, 1520). Foto: Frits van der Gronde
Siermetselwerk in een gevel, aangevuld met een geschilderd klaverblaadje. Foto: Beeldbank Stichting Boerderij & Erf.
De rode binnenkant van dit luikje zorgt voor een kleuraccent in een verder onbeschilderd exterieur. (Detail van M. Hobbema, boerderijruïnes in het bos). Bron: Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis Den Haag.

Dit artikel gaat over de ontwikkeling van het kleurgebruik op het exterieur van boerderijen in het Groene Hart in de eerste helft van de 17de eeuw.

De middeleeuwse boerderijen waren grotendeels van hout. Een houten draagconstructie met houten of vlechtwerk wanden, die met leem waren afgewerkt. Vanaf de 16de eeuw kwamen er ook stenen boerderijen. Als eerste werd uit veiligheidsoverwegingen de brandmuur met de stookplaats van baksteen gemetseld. Daarna kwam het voorhuis aan de beurt. De rijkere boerderijen in ons gebied hadden aan het begin van de 17de eeuw een stenen voorhuis en een houten stalgedeelte. Bij de eenvoudiger boerderijen zal ook het voorhuis nog gedeeltelijk van hout of beleemd vlechtwerk geweest zijn. Voor de constructie, de vensters en de deuren gebruikte men eikenhout. Eikenhout kan mooi bewerkt worden en hoeft, zelfs in ons klimaat, niet beschermd te worden met een verflaag. De kleuren van de boerderij werden toen hoofdzakelijk bepaald door de kleuren van het geelbruine riet op het dak, het bruinvergrijsde eikenhout, het bruingele leem, en het fris rode of gele metselwerk.

Het is dus geen wonder dat siermetselwerk in de 17de eeuw populair was. Vooral in streken waar men met botergele IJsselsteentjes metselde, leefde men zich hier soms helemaal op uit. Helderrode stenen werden gebruikt voor de korfbogen boven de vensters. Hoekoplossingen en dagkanten van de deuren kregen soms een accent van siermetselwerk. Ook werden gesloten gevels soms versierd met metseltekens.

Er werd in deze periode weinig geschilderd. En als er dan geschilderd werd, was dat dikwijls met een transparante verf op waterbasis en goedkope pigmenten, hoofdzakelijk okers. Het witten van beleemd vlechtwerk en baksteen werd ook wel gedaan, maar waarschijnlijk niet vaak. De eikenhouten gepotdekselde wanden van het stalgedeelte waren ongeschilderd. Als ze van grenen delen gemaakt waren, werden ze waarschijnlijk geteerd.

Verder lezen

Bron

Deze tekst is gebaseerd op:

  • Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland (Hardinxveld-Giessendam 2006)

Deze publicatie is tot stand gekomen door eigen onderzoek en o.a. de volgende bronnen:

  • L. Boot e.a., Van Hoogmade naar Arnhem, Lotgevallen van de boerderij Boskade 11 in de Bospolder bij Hoogmade 1600-2004 (Arnhem, 2004).
  • W. F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen: de uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940 (’s-Gravenhage, 1984).
  • M. de Keijzer en P. Keune, Pigmenten en bindmiddelen (Amsterdam, 2001).
  • L. Simis, bewerkt door H. Janse, en J. Berghuis jr., Schilder- en Verfkunst (’s-Gravenhage, z.j.).
  • W. van Wijk, Dordtse Kleuren (Breda, 2002)
  • H. J. Zantkuyl, Bouwen in Amsterdam (Amsterdam, 1973-1992 p. 94-108)