7.3 Kleurgebruik in het exterieur in de 18de eeuw

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
In de 18de eeuw worden veel eenvoudige panden nog nauwelijks geschilderd. Wat er wel geschilderd wordt, gebeurt in een 17de eeuws kleurschema. (Tekening, detail van Achterzijde Nieuwe kerk te Delft van Johannes Huibert Prins 1757-1806). Bron: Stedelijk Museum Prinsenhof, Delft.
Op deze tekening is te zien dat het houten kozijn (links) in dezelfde kleur is geschilderd als de natuursteen. De kleurstelling van kozijnen, ramen en luiken is typisch 18de eeuws. (Detail van Kleine Vischpoort te Amsterdam, H.P. Schouten, 1796). Bron: Gemeentearchief Amsterdam.

Dit artikel gaat over de ontwikkeling van het kleurgebruik op het exterieur van boerderijen in het Groene Hart in de 18de eeuw.

Na 1700 begint het gevelbeeld te veranderen. De stedelijke elite gaat daarbij voorop en het platteland volgt, afhankelijk van het budget, sneller tot zeer langzaam. Allereerst wordt het metselwerk strakker en donkerder van kleur. Dit komt doordat de kwaliteit van de stenen beter wordt. Een kwalitatief betere steen is harder gebakken, kleiner van formaat, donkerder van kleur en maatvaster. Daarmee kon een zeer strak kruisverband gemetseld worden. Zo mooi dat we dat tegenwoordig niet meer kunnen namaken. De kleurcontrasten in het metselwerk verdwijnen en alles wordt strakker, rustiger en statiger. Het schuifraam doet zijn intrede en wordt vanaf het midden van de 18de eeuw ook op het platteland vrij algemeen toegepast. Langzamerhand werden steeds meer kruiskozijnen vervangen door of vertimmerd tot schuiframen. In de lage zijgevels blijft men nog lang bolvensters toepassen. Bij de rijke panden begint een bepaald kleurpatroon steeds meer te overheersen. Bentheimer- of steengrauwe kozijnen, witte ramen en mosgroene of olijfgroene luiken. Aan het einde van de eeuw worden de ramen ook olijfgroen en later bruin. Gewone boeren en burgers die niet zo modieus zijn, blijven nog deze hele eeuw in het 17de eeuwse kleurschema schilderen. Zij schilderen niet meer dan nodig is; alleen de voorgevel en het woongedeelte. De buitengevels van het woongedeelte zijn redelijk vaak aan de onderzijde gewit. Werkruimten en stallen zagen hooguit binnen een kwast met witkalk en buiten een kwast met teer. Voor de kozijnen (van het woongedeelte) overheerst de okergele kleur. Meestal is het een vrij stevig okergeel, maar ook lichter geel komt voor. De hele donkere kozijnkleuren verdwijnen langzamerhand. Ook de verschillende Bentheimer imitaties worden op het platteland populair, soms zijn ze zelfs gekamd of ingestrooid met zand. Zo lijken ze nog meer op gefrijnde zandsteen.

Voor de binnen- en buitenkant van de luiken zijn de dure Spaansgroene en olijfgroene (Spaansgroen met gele oker) kleuren populair. Wie dat niet kon betalen schilderde zijn ramen en luiken in een donkere olijfkleur (gemaakt uit gele oker en zwart) of bruin (soms gemaakt uit paarse dodekop met zwart) of leigrijs. Ook werd soms een Bentheimerachtige kleur toegepast op luiken. Witte ramen komen op het platteland weinig voor. Loodwit is namelijk een duur pigment en witte en lichte kleuren zijn daarom meestal veel duurder dan de donkere kleuren.

Verder lezen

Bron

Deze tekst is gebaseerd op:

  • Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland (Hardinxveld-Giessendam 2006)

Deze publicatie is tot stand gekomen door eigen onderzoek en o.a. de volgende bronnen:

  • L. Boot e.a., Van Hoogmade naar Arnhem, Lotgevallen van de boerderij Boskade 11 in de Bospolder bij Hoogmade 1600-2004 (Arnhem, 2004).
  • W. F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen: de uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940 (’s-Gravenhage, 1984).
  • M. de Keijzer en P. Keune, Pigmenten en bindmiddelen (Amsterdam, 2001).
  • L. Simis, bewerkt door H. Janse, en J. Berghuis jr., Schilder- en Verfkunst (’s-Gravenhage, z.j.).
  • W. van Wijk, Dordtse Kleuren (Breda, 2002)
  • H. J. Zantkuyl, Bouwen in Amsterdam (Amsterdam, 1973-1992 p. 94-108)