7.4 Kleurgebruik in het exterieur in de 19de eeuw

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Deze 19de eeuwse boerderij heeft hoge witte plinten. De kozijnen zijn witachtig. De deuren, luiken en de schuur zijn transparant groenig of bruinig van kleur. (Aquarel Landschap met boeren behuizingen met een overtoom, J. van Lexmond, 1812). Bron: Historisch Museum Rotterdam, Atlas van Stolk collectie.

Dit artikel gaat over de ontwikkeling van het kleurgebruik op het exterieur van boerderijen in het Groene Hart in de 19de eeuw.

De ontwikkeling die zich in de 18de eeuw heeft ingezet, gaat in de 19de eeuw verder. De gevels van de boerderijen zijn over het algemeen van een vrij donker gekleurde baksteen. Hier en daar worden gevels bepleisterd, waarbij groeven aangebracht worden om natuursteen blokken te suggereren. Ook wordt deze imitatie gebruikt om oneffenheden te verdoezelen en scheurvorming in het pleisterwerk te voorkomen. De gevels worden vaak geschilderd in een natuursteenkleur. In de 19de eeuw wordt ook de koolteer uitgevonden en waarschijnlijk zijn toen de zwart geteerde plinten van 30 tot 80 cm hoog ontstaan. De vensters hebben licht gekleurde kozijnen. Bentheimer, steengrauw en gebroken wit komen steeds meer voor. De donkere kozijnen zijn bijna verdwenen. De tendens naar steeds lichter is in het algemeen door heel Nederland waar te nemen. Aan het einde van de 19de eeuw wil men echter wel eens donkerder kleuren toepassen. Onderdorpels hebben de kleur van het kozijn, of zijn midden- of donkergrijs om op hardsteen te lijken. In de steden zijn er nauwelijks nog luiken, maar vaker persiennes. Die zijn olijfgroen of bruin, totdat rond 1830 het standgroen in zwang komt. Op het platteland zijn de luiken en ramen leigrijs of bruin totdat ook hier, niet veel later, het standgroen in de mode komt. In het begin is dit standgroen op het platteland meer een middengroen. In principe kan er ook een standblauwe verf gemaakt worden. Deze is maar heel weinig toegepast. Er zijn ook panden waar elke vaart der volken aan voorbij is gegaan. Zo zijn er nog panden uit de 17de eeuw met originele vensters met rode luiken. In de stallen heeft men de smaak van het schilderen nu ook te pakken gekregen. Het houten potdekselwerk wordt mooi zwart geteerd. De gevels worden elk jaar gewit. De vensters en deuren achter krijgen een kleurtje dat men toevallig heeft staan.

Verder lezen

Bron

Deze tekst is gebaseerd op:

  • Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland (Hardinxveld-Giessendam 2006)

Deze publicatie is tot stand gekomen door eigen onderzoek en o.a. de volgende bronnen:

  • L. Boot e.a., Van Hoogmade naar Arnhem, Lotgevallen van de boerderij Boskade 11 in de Bospolder bij Hoogmade 1600-2004 (Arnhem, 2004).
  • W. F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen: de uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940 (’s-Gravenhage, 1984).
  • M. de Keijzer en P. Keune, Pigmenten en bindmiddelen (Amsterdam, 2001).
  • L. Simis, bewerkt door H. Janse, en J. Berghuis jr., Schilder- en Verfkunst (’s-Gravenhage, z.j.).
  • W. van Wijk, Dordtse Kleuren (Breda, 2002)
  • H. J. Zantkuyl, Bouwen in Amsterdam (Amsterdam, 1973-1992 p. 94-108)