9.3 Kleurgebruik in het interieur in de 18de eeuw

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Een rijk 18de eeuws boerderijinterieur. Veel mangaanpaarse tegeltjes met tableaus en pilasters. Het houtwerk is geschilderd in paarse dodekop en zeegroen en afgewerkt met gouden biesjes. De balken plafonds in boerderijen blijven in het zicht. Hierin volgen boerderijen dus niet de ontwikkelingen in de stad waar stucplafonds in de mode komen. Foto: Bureau Helsdingen.

Dit artikel gaat over de ontwikkeling van het kleurgebruik in het interieur van boerderijen in het Groene Hart in de 18de eeuw.

Voor de stedelijke elite is de 18de eeuw de eeuw van de modieuze Franse Lodewijkstijlen. Licht werd heel belangrijk. Grote schuifvensters, lichte kleuren, spiegels, marmeren vloeren en witte stucplafonds. Alles werd zorgvuldig op elkaar afgestemd. De wanden kregen een lage lambrisering en werden daarboven met textiel bespannen. De grote schouw met de hangende kap maakte plaats voor een kleinere schouw met dichte zijwanden. Aan het begin van de 18de eeuw is paarse dodekop nog populair bij de gegoede burgerij. Daarna komen steeds andere kleuren in de mode. Het begint met Berlijns blauw dat vanaf 1724 makkelijk verkrijgbaar werd. Omdat de kleur blauw altijd werd geassocieerd met grote rijkdom kwam de kleur zo snel in de mode. Hierna werden de kleuren steeds lichter. Zeegroen, Napels geel, pasteltinten en heel lichte grijzen. Paneeldeuren en lambriseringen werden extra geaccentueerd doordat zij in dezelfde kleur in verschillende tonen geschilderd werden. Bladgoud was ook een geliefde vorm om rijkdom te etaleren. Houten en marmeren werd vanaf 1740 populair.

Bij al deze nieuwigheden rijst de vraag wat hiervan met enige vertraging in de boerenwoning terecht is gekomen. Dit is natuurlijk weer afhankelijk van de welstand en de aard van de boer. De grote herenboer keek naar de gegoede burgerij in de stad en wilde zeker niet achterblijven. Dit was zo totdat het veenweidegebied van Holland getroffen werd door veepest en overstromingen. In de periode van circa 1730 tot circa 1780 verarmde het platteland. Dikwijls was de belasting op de boerderij hoger dan de jaarlijkse opbrengst. Veel boerderijen moesten verkocht worden en kwamen zo in het bezit van de lokale overheid. Geld voor het onderhoud en schilderwerk was er meestal niet. Het is geen wonder dat de 17de eeuwse kleurstelling op het platteland zo lang heeft doorgewerkt. Dure interieurelementen als 18de eeuwse stucplafonds, textielbespanningen en de houten lambriseringen komen we dus niet tegen in de boerderijen. Lambriseringen werden soms wel geschilderd op de wanden. Meestal heel simpel een baan van circa 1 meter hoog in een stevige kleur. Verder waren de wanden afgewerkt met witkalk en hadden meestal een tegelplint. De balklaag bleef in het zicht en werd (behalve als het nog een 17de eeuwse eiken balklaag was) geschilderd in de kleur van de ruimte. Paarse dodekop is een kleur die z’n top beleefde in de 18de eeuw. Die kleur combineerde heel mooi met mangaan paarse tegels. Verder bleven rode oker, gele oker en appelbloesem populair. Vermoedelijk werd het Berlijns blauw pas aan het eind van de 18de eeuw, na de landbouwcrisis, populair in de boerderijen. Het was in 1799 namelijk zes keer zo duur als gele oker. Berlijns blauw is een kleur die nog lang in keukens van burgerhuizen en in het voorhuis van de boerderijen werd toegepast. Hierna werden lichtere kleuren populair, zoals diverse tinten lichtgrijs, wagenschot en appelbloesem. Het houten en marmeren werd in het hele land populair en vooral de mahoniehout imitaties worden veel aangetroffen op deuren en meubels. Eikenhoutimitaties kwamen veel voor op kozijnen en deuren. De grote schouwen bleven op het platteland nog lang in gebruik voor het koken, broodbakken, veevoerbereiding en verwarmen van water voor het schoonmaken van het melkgerei. Alleen in de woonkamers waar zij slechts voor de verwarming dienden, werden zij vervangen door de moderne lage schouw. Tegels werden in het interieur steeds vaker toegepast. Naast blauwe tegels kwamen ook veel paarse mangaankleurige tegels voor. Onder de grote schouw kwamen in de 18de eeuw en 19de eeuw vaak tegelpilasters voor. Op de vloer blijven plavuizen algemeen. In de opkamers en zolders zijn houten vloeren gangbaar. Deze kunnen soms mooi beschilderd zijn. In de stallen veranderde er deze eeuw niet zo veel. Als gevolg van de vele overstromingen met name in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden zullen wel veel reparaties en (gedeeltelijke) herbouw plaats hebben gevonden. De lemen wanden zijn in deze eeuw verdwenen. Het witten van de wanden in de stal neemt waarschijnlijk toe, maar is nog niet algemeen. Het houtwerk in de stal is nog onbeschilderd en de vloer in de stal in nog (vrijwel) geheel van leem.

Verder lezen

Bron

Deze tekst is gebaseerd op:

  • Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland (Hardinxveld-Giessendam 2006)

Deze publicatie is tot stand gekomen door eigen onderzoek en o.a. de volgende bronnen:

  • L. Boot e.a., Van Hoogmade naar Arnhem, Lotgevallen van de boerderij Boskade 11 in de Bospolder bij Hoogmade 1600-2004 (Arnhem, 2004).
  • W. F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen: de uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940 (’s-Gravenhage, 1984).
  • M. de Keijzer en P. Keune, Pigmenten en bindmiddelen (Amsterdam, 2001).
  • L. Simis, bewerkt door H. Janse, en J. Berghuis jr., Schilder- en Verfkunst (’s-Gravenhage, z.j.).
  • W. van Wijk, Dordtse Kleuren (Breda, 2002)
  • H. J. Zantkuyl, Bouwen in Amsterdam (Amsterdam, 1973-1992 p. 94-108)