9.4 Kleurgebruik in het interieur in de 19de eeuw

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
In de 19de eeuw werd het interieur dikwijls donkergroen geschilderd. Foto: Beeldbank Stichting Boerderij & Erf.
Jammer dat dit interieur beschadigd is, want het houtwerk is prachtig gehouten. Ook de ultramarijnblauwe muren zijn typisch voor de 19de eeuw. Foto: Beeldbank Stichting Boerderij & Erf.
Deze opkamer is geschilderd in een koperhoudende (en waarschijnlijk zeer giftige) groene kleur. Deze kleur is typisch voor de 19de of begin van de 20e eeuw. De binnenzijde van de bedstee is geschilderd in een tijdloze gele oker. Foto: Beeldbank Stichting Boerderij & Erf.

Dit artikel gaat over de ontwikkeling van het kleurgebruik in het interieur van boerderijen in het Groene Hart in de 19de eeuw.

Op het platteland begint men, na de rampzalige 18de eeuw, weer uit het dal te klimmen. Na de Franse Tijd (1815) begint een gestage groei. Er vindt een ware explosie in de agrarische welvaart plaats, met rond 1880-1890 het hoogtepunt. Hierna stabiliseert de welvaart zich tot de crisisjaren in de volgende eeuw. In de steden is de 19de eeuw die van de neostijlen. De 19de eeuw kenmerkt zich door de materiaalimitaties. Het gaat daarbij om het effect, niet om eerlijk materiaalgebruik. In de boerderijen zijn dit vooral eikenhoutimitaties op deuren en marmerimitaties op schouwboezems. Over het historisch kleurgebruik in de 19de eeuw zijn weinig geschreven bronnen. Aan het begin van de eeuw waren de lichte kleuren nog in de mode. Geel is een kleur die eigenlijk nooit weg is geweest. Donkergroen is een kleur die in de loop van de eeuw in de mode komt in de boerderijen. Balklagen, deuren en vensters, alles werd donkergroen. Wij zouden het nu wat somber vinden, de 19de eeuwer was er weg van. Dit combineerde men met een inrichting die ons wat overdadig voorkomt.

De wanden van het woongedeelte en veel stallen worden jaarlijks gewit. Aan de witkalk voegt men in de eerste helft van de 19de eeuw lakmoes toe om een frissere witte kleur te krijgen. Op den duur worden deze wanden echter vlekkerig lichtlila. In 1828 werd het synthetische ultramarijn uitgevonden. Dit was het eerste goedkope blauwe pigment voor binnentoepassing. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw kwam het in grote hoeveelheden op de markt. Dan vervangt men de lakmoes door ultramarijn. Gedurende een korte periode voegt men in de Alblasserwaard zoveel ultramarijn toe aan de witkalk, dat de muren felblauw worden.

Dit gebruik is van korte duur en al snel gaat men over op lichtblauwe wanden. Om dan, waarschijnlijk aan het begin van de 20ste eeuw, weer terug te gaan naar de witte witkalkwanden. Voor de wanden krijgt men ook steeds meer keus. Vanaf 1850 wordt papierbehang industrieel op rollen geproduceerd en zodoende voor iedereen betaalbaar. Het wordt ook in eenvoudige interieurs veel toegepast omdat het een goedkope vorm van versiering is met veel effect. Ook tegels worden steeds beter betaalbaar. Geheel betegelde wanden worden kenmerkend voor keukens en boerderij-interieurs. Ook worden in deze eeuw worden veel vensters en schouwen aangepast aan de heersende mode. Aan het einde doen nieuwigheden als de (giet)ijzeren kachel en de olielamp hun intrede in de boerderijen. Zij waren al eerder uitgevonden, maar het is verbazingwekkend hoelang het duurde voordat zij op het platteland algemeen werden. Ook in rijke interieurs blijven open haarden nog de hele eeuw in gebruik. De standaardisatie en mechanisatie doen langzaam hun intrede. Standaard schouwen met gegoten in plaats van gebeeldhouwde ornamenten zijn kant en klaar te koop met bijpassende kachel.

Verder lezen

Bron

Deze tekst is gebaseerd op:

  • Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland (Hardinxveld-Giessendam 2006)

Deze publicatie is tot stand gekomen door eigen onderzoek en o.a. de volgende bronnen:

  • L. Boot e.a., Van Hoogmade naar Arnhem, Lotgevallen van de boerderij Boskade 11 in de Bospolder bij Hoogmade 1600-2004 (Arnhem, 2004).
  • W. F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen: de uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940 (’s-Gravenhage, 1984).
  • M. de Keijzer en P. Keune, Pigmenten en bindmiddelen (Amsterdam, 2001).
  • L. Simis, bewerkt door H. Janse, en J. Berghuis jr., Schilder- en Verfkunst (’s-Gravenhage, z.j.).
  • W. van Wijk, Dordtse Kleuren (Breda, 2002)
  • H. J. Zantkuyl, Bouwen in Amsterdam (Amsterdam, 1973-1992 p. 94-108)