Bijenhouderij

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Bijenhoning was lange tijd een gewilde zoetstof van eigen bodem. Op veel gemengde bedrijven op zandgronden was de bijenhouderij – of imkerij - daarom een belangrijke nevenactiviteit. Belangrijke centra voor de bijenhouderij vanaf de zeventiende eeuw waren onder andere Barneveld, Ermelo, Putten, Woudenberg, Renswoude en de dorpen in het Gooi.

Omvang

In sommige delen van het land was de bijenhouderij heel belangrijk, in de negentiende eeuw zelfs belangrijker dan de kippenhouderij. Zo werden in Ermelo in 1841 maar liefst 3.575 korven geteld. In Brabant, waar de imkerij lange tijd een vooraanstaande plaats heeft ingenomen, zijn voorbeelden bekend van bijenhouders die wel twee- tot driehonderd korven hadden. Ongeveer honderd korven was het minimum om als bijenhouder te kunnen bestaan.

Bieboeren

Bijenhouders of ‘bieboeren’ huisden vooral in het westen van Brabant, in de buurt van klei- of rivierkleistreken. Ze konden hun bijen laten vliegen op het koolzaad dat daar veel werd verbouwd. In juni haalden ze hun volken weer naar huis om ze op de boekweit te laten vliegen. Vanaf half augustus werd er honing gewonnen. De bijenvolkeren kregen in september nog een andere laatste standplaats in het seizoen: de heide. De bieboeren hoopten dat ze daar voldoende eigen voedsel voor de winter konden verzamelen. ’s Winters stonden de korven dicht bij huis op een beschutte plaats, in een zogenoemde bijenhal.

Honing en bestuiving

Bijengilden zagen het licht vanaf 1650, bijvoorbeeld in de Baronie van West-Brabant. In het oosten van Brabant waren er meer boeren die bijen hielden, maar die hadden minder volken. Ze hielden de bijen puur als neveninkomsten: voor de honing en eventueel voor de bestuiving van gewassen die daar om vroegen, zoals boekweit en koolzaad. De bijen huisden in kleine bijenschuurtjes zoals we die nu nog wel kennen: een schuurtje bij het huis voor het voorjaar en de winter en vaak ook een schuurtje op de heide wat verder weg van de boerderij. Een deel van de gewonnen honing werd bewaard voor de wintervoeding van de bijen. De rest verkochten de bieboeren vaak aan koekbakkers en opkopers. Soms werd van een deel ook wel honingbier gebrouwen. De was konden de bijenhouders kwijt aan kaarsenmakers.

Neergang en opleving

Vanaf het einde van de negentiende eeuw liep de bijenhouderij terug. Er werd minder boekweit verbouwd. Ook werden steeds meer woeste gronden ontgonnen, waardoor er minder drachtplanten waren waar bijen honing konden halen. Een ander punt was de stijging van de lonen die er in de arbeidsintensieve bijenhouderij flink intikte. Na 1910 leefde de bijenteelt echter weer op, onder andere doordat de overheid suiker voor wintervoeding vrijstelde van accijns. Onderwijs en voorlichting door rijksbijenteeltconsulenten deden ook een duit in het zakje.

Bestuiving belangrijk

Bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van planten. Niet alleen in de natuur, maar ook in de landbouw. Men wist bijvoorbeeld al vroeg dat de opbrengsten van fruitbomen hoger waren als er een of twee bijenvolkeren in de boomgaard werden geplaatst. In Zuid-Limburg, waar veel fruiteelt was, ontvingen imkers bijvoorbeeld ‘bestuivingsgeld’ als ze hun bijenvolken beschikbaar stelden om fruitbomen in boomgaarden te bestuiven. Tegenwoordig klagen met name tuinders nogal eens over een tekort aan bijen voor bestuiving. Dat komt doordat er steeds minder mensen zijn die imker willen worden. Bovendien is er minder ruimte voor drachtplanten waar bijen op kunnen vliegen.

Bijenschuur

Bijenkorven stonden op het vroegere boerenerf in een eenvoudig schuurtje, in het oosten van het land ‘iemenschoer’ genoemd. Meestal was dat schuurtje een eenvoudige houtconstructie met een lessenaardak, gedekt met stro of zoden. De daken van de bijenschuurtjes die bewaard zijn gebleven, zijn nu meestal voorzien van - destijds veel te dure - pannen. Bijenschuurtjes zijn rondom vaak open, maar soms ook aan twee of drie zijden van planken wanden voorzien als bescherming tegen weer en wind.

Huisvesting voor bijen

Bijenvolken worden tegenwoordig vaak in kasten van hout, kunststof of zelfs piepschuim gehouden. Vroeger waren hiervoor korven in gebruik, die door de bijenhouder zelf werden gevlochten van wat voorhanden was, bijvoorbeeld stro, biezen of bungras. De meeste korven werden gevlochten uit stro. Voor een gelijkmatige korfwand moesten de strobundels even dik zijn. Hiervoor gebruikte de bijenhouder een zogenoemde vlechtring, bijvoorbeeld een afgezaagd deel van een koeienhoorn. De bundels werden gemodelleerd tot een bijenkorf op een vormstoel en bijeengebonden met gespleten bramentwijgen. Een grote vooruitgang voor de bijenhouderij was de uitvinding van het raam waarin de bijen hun raten konden maken. Je kon zo’n raam uit de korf – later kast - nemen om honing en eventueel was te winnen.

Bijenbelasting

Vroeger was het belastingsysteem heel anders dan nu. Bovendien waren er veel verschillen. Men betaalde bijvoorbeeld personele belasting voor iedere volwassene, grondbelasting over de grond en de huizen die men in bezit had, ambachtsgeld voor het beroep dat men uitoefende en belasting over het vee. Dat de imkerij toen belangrijk was, blijkt uit het feit dat ook belasting werd geheven op de bijenvolken die iemand in bezit had.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • 'Bijen op de boerderij', Landleven 14e jaargang nummer 6, september 2009

Links

Verder lezen