Boerderijen Utrecht

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Grondsoorten in de provincie Utrecht. Bron: R. Blijdenstein, Tastbare Tijd. Cultuurhistoriscche atlas vande provincie Utrecht, Utrecht 2005, p. 75; A.A. Brombacher & W. Hoogendoorn, Aardkundige waarden in de provincie Utrecht, Utrecht 1997, p.65.
Hoeve De Beek te Woudenberg in het Utrechtse zandgebied met schuur, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Boerderij te Nieuwegein in het Utrechts rivierengebied met uitbreidingen in zijwaartse richting en een losstaand bakhuis, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Boerderij te Kockengen in het Utrechts weidegebied met een zomerhuis en een hooiberg direct achter de boerderij, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.

Variaties op één thema. De boerderijen in de provincie Utrecht vormen geen echt afzonderlijke groep, maar sluiten in vorm, constructie en indeling nauw aan bij die uit de omringende gebieden. Daarbinnen bestaan echter wel de nodige regionale varianten. Door haar situering op het ontmoetingspunt van zand-, veen- en rivierkleigrond valt de provincie bodemkundig uiteen in drie delen. De bedrijfsvormen en daarmee ook de boerderijtypen binnen deze regio's komen sterk overeen met die in de aansluitende Gelderse en Zuidhollandse landbouwgebieden.

Zandgebied

Zo vertoont de bebouwing op de zandgronden in het midden en oosten van de provincie grote overeenkomst met die op de Veluwe. De boerderijen in dit gebied kenmerken zich door een eenvoudige hoofdvorm met al dan niet afgewolfd zadeldak en lage zijgevels; in het midden van de achtergevel bevinden zich brede deeldeuren. Bijzondere bedrijfsonderdelen zoals de tabaksteelt en de schapenhouderij hebben in dit gebied hun sporen nagelaten in de vorm van speciale bijgebouwen.

Rivierengebied

Het zuidelijke deel van de provincie, met het Kromme Rijngebied, maakt onderdeel uit van het rivierengebied. Het exterieur van het bedrijfsgedeelte in deze streek komt in grote lijnen overeen met dat op de zandgronden. Naast de enkelvoudige huisvorm met zadeldak en lage zijgevels vindt men hier echter ook veel boerderijen waarvan het woonhuis aan één of aan beide zijden in dwarsrichting is uitgebouwd: de krukhuis- of T-huisboerderij.

Weidegebied

In het westelijke veengebied en in de Lopikerwaard heeft zich een boerderijvorm ontwikkeld met lage, langgerekte bouwmassa en afgewolfd zadeldak. Het voorhuis heeft meestal betrekkelijk lage zijgevels, maar is soms aan één zijde voorzien van een hoge aanbouw met melkkelder en opkamer. De brede deeldeuren ontbreken hier en in het midden van de achtergevel bevindt zich alleen een smalle doorgang. Direct daarachter staan een of meer hooibergen en naast de boerderijen vindt men zomerhuizen en spoelhokken. In het laaggelegen gebied van de Lopikerwaard is het hoofdgebouw bovendien dikwijls voorzien van allerlei soorten vloedvoorzieningen. In het noordwesten, langs het Gein en in het gebied onder de rook van Amsterdam, bevinden zich veel boerderijen met een opvallend groot en statig voorhuis, dat in het verleden 's zomers dienst deed als buitenhuis voor de landeigenaar. In het uiterste noordoosten tenslotte, in het Eemland, heeft zich een eigen variant voor het weidebedrijf ontwikkeld, die in verschillende opzichten sterk doet denken aan de boerderijvormen uit het westelijke veengebied.

Het halletype

Ondanks al dergelijke regionale verschillen die zich uiteraard niet beperken tot het exterieur, maar zich ook uitstrekken tot indeling, gebruik en constructie van de gebouwen, behoren de oudere boerderijen in de provincie Utrecht in opzet alle tot dezelfde uitgangsvorm: het halletype. Deze huisgroep omvat het grootste deel van de Nederlandse boerderijvormen en strekt zich in allerlei variaties uit over het gehele midden van ons land, van de oostgrens tot aan de westelijke kuststreek.

Bron

Deze tekst is afkomstig uit: Stichting Historisch Boerderij-onderzoek, Landelijke bouwkunst. Utrecht, Arnhem 1993. De mappen Landelijke bouwkunst van de SHBO met opmetingstekeningen zijn in te zien in de bibliotheek van de RCE.

Verder lezen