Dakornament

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Gestileerde paardenkoppen op een boerderij in oostelijk Twenthe. Bron: Molen, S.J. van der, Kijk op boerderijen, Elsevier-Amsterdam/Brussel, 1979, pag. 90.
Een oud Twents geveltopteken met christelijke symboliek in de vorm van een kruis en een zesspakig rad. Bron: Molen, S.J. van der, Kijk op boerderijen, Elsevier-Amsterdam/Brussel, 1979, pag. 91.

Daken van historische boerderijen zijn vaak voorzien van ornamenten. Op schilddaken tref je ‘tuiltjes’ van riet en decoratieve uilenborden aan. Zadeldaken worden in sommige streken verfraaid met geveltoptekens.

Oorsprong

Heel vroeger waren de daken van boerderijen gedekt met riet uit de omgeving of stro van het eigen bedrijf. Bij een schilddak werden deze materialen aan de uiteinden van de nok – daar waar drie dakvlakken samenkomen – bijeen gebonden tot zogenoemde ‘tuiltjes’. Her en der tref je ze nog aan op het rieten dak van historische boerderijen. De benaming ‘tuiltje’ is zeer waarschijnlijk afgeleid van het werkwoord tuien dat ‘binden’ betekent.

Windveren

Bij een zadeldak dat uit twee hellende delen is opgebouwd, werden de dakranden niet zelden afgedekt met een houten plank. De twee planken kruisten elkaar in de nok. Deze windveren (of windborden) waren meestal gewone, rechte planken, maar soms zijn ze ook over de hele lengte versierd. In het verleden was dat een teken van welvaart en rijkdom. Bovendien maakten bewerkte windveren een wezenlijk onderdeel uit van bepaalde bouwstijlen, bijvoorbeeld van de Chalêt-stijl uit het laatste kwart van de negentiende eeuw.

Geveltoptekens

De in de nok uitstekende punten van de windveren werden vaak afgezaagd, maar konden ook fraai worden bewerkt. Zo ontstonden de geveltoptekens die je vooral in Twente nog veel aantreft. Ze zijn soms een uiting van volkskunst, bijvoorbeeld als gestileerde paardenhoofden zijn afgebeeld. Daarnaast zijn er geveltoptekens met christelijke symbolen. Soms zie je beide vormen bij één boerderij. Boven de achtergevel is dan een geveltopteken met een motief uit de oude volkskunst gespijkerd en boven de voorgevel een geveltopteken met christelijke symboliek. De oudste Twentse geveltoptekens met christelijke symboliek verwijzen naar het rooms-katholieke geloof. Veel voorkomende versieringen zijn een kruis, hart, monstrans, anker, maansikkel (Maria-symbool), kelk en hostie. Later, vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw, raakten in delen van de regio ook protestants-christelijke symbolen in zwang: bijvoorbeeld lelie, hart, harp, anker, of klaverblad.

Uilenborden

De meest kwetsbare plekken van een schilddak zijn de uiteinden van de nok, de plaatsen waar drie dakschilden op elkaar aansluiten. Daarom werd daar vaak een driehoekig houten schot aangebracht, een zogenoemd ‘uilenbord’, ‘oelebret’, of ‘ûleboard’. Al deze benamingen houden verband met het ronde luchtgat in het midden van het houten schot. Uilen die in de boerderij nestelen, gebruiken het als in- en uitgang. Het uilenbord komt voor langs de Gelderse IJssel, in Drenthe en natuurlijk in Friesland, waar het typerend is voor de schuurdaken van de grote boerderijen. Uilenborden zijn vaak versierd, soms met symbolen die ook op geveltekens worden aangetroffen. Kenmerkend voor veel Friese ûleboarden is een afbeelding van twee gestileerde zwanen die met snavel in de borst pikken. Tussen de beide vogels staat een prachtig geornamenteerde paal die ze met gekromde hals ondersteunen. Deze paal wordt de makelaar genoemd.

Nokafwerking

Vroeger was het niet eenvoudig om de nok van een boerderijdak waterdicht af te werken. De enige manier was het aanbrengen van zoden of plaggen. Dat veranderde nadat men klei had leren bakken. Voor een dak uit riet of stro werd toen een nokafdekking met rietvorsten ontwikkeld. Dat zijn gebogen pannen die ook nu nog op de nok van rieten daken worden gemetseld. De huidige rietvorsten zijn ongeveer 80 cm lang, 22,5 cm breed en de dikte varieert van 17 tot 22 mm. Een uit klei gebakken nokafdekking voor pannendaken ontstond rond het midden van de vijftiende eeuw: vorstpannen. Voor zover bekend werden deze pannen voor het eerste genoemd in een uit 1447 daterende Zutphense stadsrekening. Eveneens heel oud is de nokafdekking met lood. In de veertiende eeuw werd het metaal al gebruikt om de nok van voorname huizen waterdicht te maken. Veel later werd deze techniek een enkele keer toegepast bij boerderijen. Er werd over hullood gesproken, omdat het metaal uit Engeland afkomstig was en meestal vanuit de havenplaats Hull werd verscheept. Later, vanaf de negentiende eeuw, werd ook zink gebruikt om nokken af te dekken.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • 'Versierde Schild- en Zadeldaken', Landleven 10e jaargang nummer 3, mei/juni 2005

Links

Verder lezen