Dorsen

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dorsen met de dorsrol. Bron: Bos, J.M., Nederlands Openluchtmuseum Museumgids, Arnhem 1977, pag. 63.
Dorsen met de dorsvlegel. Bron: Bos, J.M., Nederlands Openluchtmuseum Museumgids, Arnhem 1977, pag. 110.

Dorsen is het proces waarbij de granen uit de aren worden gehaald. In grote delen van het land is nog tot in de twintigste eeuw met de hand gedorst. Dit gebeurde met een houten vlegel.

Het proces

Het dorsen vond plaats in de winter, wanneer het werken buiten achter de rug was. Het geoogste graan was op het land in schoven gebonden en werd na droging naar de boerderij gebracht. Als het dorsen begon werden de schoven losgemaakt en de halmen in twee rijen, met de aren over elkaar, op de lemen dorsvloer gelegd. Met twee of drie man werd zo’n ‘leg’ of ‘bed’ gedorst. Dit gebeurde met een vlegel; een lange stok waaraan een korte, vrij beweegbare knuppel is bevestigd. Door met de knuppel op de aren te slaan, worden de graankorrels losgemaakt. Het bed werd driemaal gedorst, waarna het met de stok van de vlegel werd opgebeurd, zodat de onderste aren boven kwamen. Dan werd opnieuw gedorst. Vervolgens werd het bed gekeerd en werd de bewerking nog een keer herhaald. Met de gaffel, een tweetandige hooivork, werden de halmen dan geschud, zodat alle graankorrels op de vloer vielen. Daarna werd het stro in bossen gebonden en weer opgetast om als strooisel voor de stallen te dienen. Het graan werd bijeen geveegd, gereinigd en opgeslagen.

De dorsvloer

De dorsvloer, vaak deel genoemd, bestond meestal uit aangestampte leem. Dit materiaal bezit een bepaalde elasticiteit, een eigenschap die bij het dorsen met de vlegel goed van pas komt. Bij een harde ondergrond zou men de graankorrels gemakkelijk beschadigen. De plaats van de dorsvloer was van streek tot streek verschillend. Soms lag de vloer in de boerderij, maar bij grotere boerderijen vaak in de schuur. Lag de vloer dwars in de schuur, of in de langsrichting, dan werd er respectievelijk van een dwars-of een langsdeelschuur gesproken. In de grote boerenbedrijven op de Zeeuwse kleigronden waren dwars in de schuur één of meer dorsvloeren ingericht. Soms waren ze van leem, maar meestal bestonden ze uit al dan niet permanente houten delen. Om de kieren tussen de planken te dichten, werden de vloeren enigszins bol, op spanning geregeld. Zo konden er bij het dorsen geen graankorrels tussen de kieren komen. In de schuren met drie dorsvloeren was er vaak één in gebruik voor het hakselen van veevoer.

De dorsrol/dorsblok

Op de akkerbouwbedrijven in het noorden van ons land werd omstreeks het begin van de achttiende eeuw het dorsblok of de dorsrol in gebruik genomen. Het was een 500 à 1000 kg zwaar, kegelvormig houten blok met richels, voorzien van een ijzerbeslag, dat door een of twee (geblindeerde) paarden rond een staander over het op de dorsvloer uitgespreide graan werd getrokken. Daardoor werden de graankorrels uit de aren gedorst. De paarden droegen onder de opgebonden staarten een zak of bak om de mest op te vangen, zodat het graan er niet door bevuild werd. De invoering van de dorsrol maakte een belangrijke besparing op de loonkosten mogelijk. Als er hard werd gewerkt kon men in Groningen omstreeks 1800 op deze wijze circa 9000 kg tarwe per week dorsen. Er werd dan door twee ploegen van ieder vier man en een paard om beurten gewerkt, de eerste drie dagen om het graan te dorsen, de laatste drie om het te zeven en schoon te maken. Op de conventionele manier gedorst, dus met de vlegel, zouden acht arbeiders voor een hoeveelheid van 9000 kg veel langer nodig gehad hebben. Behalve een kostenbesparing bracht de invoering van de dorsrol voor de boer nog een ander voordeel met zich mee: doordat het graan nu eerder gedorst was, kon hij van de hogere winterprijzen profiteren. Een gevolg van de invoering van de dorsrol was wel dat de werkgelegenheid voor dagloners aanzienlijk terugliep; een ernstig nadeel omdat het dorsen in de winter voor hen veelal de belangrijkste bron van inkomsten was.

Mechanisatie

De dorsrollen werden op een gegeven moment vervangen door stoommachines. Dat waren kostbare werktuigen, die meestal bezit waren van een loonwerker. Alleen hele grote boeren, bijvoorbeeld op de Groningse klei, hadden er zelf een. Na de oorlog, toen de landbouwmechanisatie verder doorzette, deden de combines hun intrede. Die oogsten direct op het land en dorsen het graan in één gang en leggen het stro in lange rijen op de akker te drogen. Het dorsen met de vlegel is niet meer van deze tijd en dorsvloeren bestaan daardoor alleen nog in naam.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • Dorsvloeren, Landleven 4e jaargang, nummer 4- juli/augustus 1999

Buitenwerk kijk op boerderijen

  • Nederland dichterbij Boerderijen

Links

Verder lezen