Het boek ''Historische houtconstructies in Nederland''

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Het boek Historische houtconstructies in Nederland.

Het boek Historische houtconstructies in Nederland is een bundeling, bewerking en uitbreiding van twee eerdere publicaties van de Stichting Historisch Boerderij-onderzoek. Deze publicaties hadden tot doel orde te scheppen: het onderscheiden, definiëren en benoemen van de verschillende, vooral in de landelijke bouwkunst voorkomende soorten gebinten, kapspanten, hun samenstellende onderdelen en de daarbij toegepaste houtverbindingen. Daarnaast bevatten beide uitgaven historische achtergrondinformatie. Historische houtconstructies in Nederland is dus een integratie en uitbreiding van de twee oude, waarbij omissies zijn aangevuld en contradicties opgeheven. Het is een overzichtswerk over de historische houtconstructies in Nederland.

Inleiding

Wie het bedrijfsgedeelte van een oude boerderij betreedt, bemerkt al gauw een woud van zware houten stijlen verbonden door dwarsbalken. Deze vormen de draagconstructie voor het grote dak, dat zijn aanzet vindt op de meestal lage, bakstenen zijmuren. Boerderijen zijn vaak driebeukig, zodat de stijlen vrij in de ruimte staan. Bij oude vakwerkhuizen (beter: huizen met een dragend houtskelet), die men soms nog in steden en dorpen of op het platteland kan aantreffen, staan de stijlen gewoonlijk in de zijwanden. In beide gevallen is het echter een samenstel van houten elementen, dat het gewicht van het dak overbrengt op de bodem. Ook bij loodsen en schuren, ongeacht het aantal beuken, is dit vaak het geval.

Die houten draagconstructies vormen een gecompliceerde ruimtelijke structuur. Zij zijn steeds samengesteld uit twee of meer evenwijdig aan elkaar geplaatste constructies in het platte vlak: de gebinten, die op poeren of lage funderingsmuurtjes staan. Op een hoger niveau staan de kapgebinten of (kap)spanten, die het dak dragen. Gebinten en kapspanten worden gekoppeld door horizontale balken met schorende verstijvingen. In de gebinten, die tot in de eerste helft van de twintigste eeuw gemaakt werden, kunnen verscheidene typen worden onderscheiden, die in 1.0 Gebinten aan de orde komen. In 2.0 Kapspanten worden de kapspanten behandeld. In beide lemma’s wordt ook ingegaan op de verspreiding en de oorsprong van de belangrijkste typen. In 3.0 Kappen zonder spanten komen kapconstructies zonder kapspanten aan de orde. De gebinten en kapspanten zijn opgebouwd uit en worden gekoppeld door elementen, stukken hout van uiteenlopende vorm, lengte en zwaarte. In 4.0 Elementen worden deze elementen onderscheiden en gedefinieerd. Voor het samenvoegen van de losse elementen tot houtconstructies zijn houtverbindingen vereist. Daarvoor zijn bewerkingen aan die elementen nodig en vaak ook losse hulpmiddelen, zoals nagels, deuvels en wiggen. Deze bewerkingen, de hulpmiddelen en de houtverbindingen zelf komen in 5.0 Houtverbindingen aan de orde.

In deze lemma’s worden de gebinten, kapspanten, elementen en houtverbindingen beschreven en benoemd. Bij de naamgeving van gebinten en kapspanten is er naar gestreefd de termen voor zichzelf te laten spreken. Veel bestaande termen voor de elementen zijn dubbelzinnig of sterk regionaal bepaald. Ze zijn daarom niet geschikt voor een landelijk overzicht. Ook wegens het ontbreken van duidelijke gangbare termen voor verscheidene minder algemeen toegepaste elementen, leidde dit tot het laten prevaleren van kunsttermen boven de gangbare termen. Alleen een beperkt aantal ondubbelzinnige en zeer algemeen gangbare termen is gehandhaafd. Bij de samenstelling van de kunsttermen is gezocht naar neutrale aanduidingen, die de kans op misverstanden zo klein mogelijk maken. Getracht is, de termen zo op elkaar af te stemmen, dat de overeenkomsten en verschillen tussen de diverse elementen zo duidelijk mogelijk naar voren komen. Daarnaast is gepoogd in de afzonderlijke termen de functie, de plaats in de constructie en de vorm of de stand van het element tot uitdrukking te laten komen. Door hun logische opbouw zijn de kunsttermen vaak erg lang; bij beschrijvingen zal men echter in de context vaak met een verkorte naam kunnen volstaan, zoals schoor of gebintbalkschoor voor zijbeukgebintbalkschoor. Bij de definities van de verschillende elementen staan de belangrijkste plaatselijke termen vermeld. Tot slot: het is niet de bedoeling de gekozen terminologie als bindend voor te schrijven. Met deze onderscheiding en benoeming is getracht een raamwerk te maken, waarin het mogelijk is de gangbare termen uit heden en verleden een plaats te geven. De benoeming zou men daarom het beste kunnen vergelijken met de Latijnse namen, die in de plantensystematiek worden gehanteerd. Zij bieden uitsluitsel waar de plaatselijke termen uiteenlopen en vormen een neutrale taal, die de regionale taalgrenzen overschrijdt.

Over de auteur

G. Berends werd geboren in 1931 in Arnhem. Na zijn Gymnasium-B opleiding in Arnhem studeerde hij bouwkunde aan de Technische Hogeschool te Delft, met als afstudeerrichting restauratie. Sedert 1963 is hij als bouwhistoricus verbonden aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg; vanaf 1973 tevens als voorzitter van het Bouwhistorisch Platform. Hij is sedert 1964 nauw betrokken bij de Stichting Historisch Boerderij-onderzoek, aanvankelijk als lid van de Technische Commissie en sinds 1980 als lid van het Bestuur.

Verder lezen

Bron

  • G. Berends, Historische houtconstructies in Nederland, Arnhem 1999

[Categorie:historische bouwwijze]]