Krukhuisboerderij

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De T-huis- en krukhuisboerderij ontlenen hun naam aan de typerende noklijn. Ze zijn kenmerkend voor het rivierengebied, maar ook elders komen ze voor. T-huisboerderijen en krukhuisboerderijen zijn gemakkelijk te herkennen. Als het woonhuis naar één zijkant is uitgebouwd en daardoor een L-vormige noklijn heeft gekregen, is er sprake van een krukhuisboerderij. Is het woonhuis naar twee kanten uitgebouwd waardoor een T-vormige noklijn is ontstaan, wordt er over een T-huisboerderij gesproken. In beide gevallen is de uitbouw vaak binnen de contouren van het oorspronkelijke boerderijgebouw gerealiseerd. Het grondplan blijft daardoor rechthoekig. Het komt echter ook voor dat de uitbouw zo rigoureus is aangepakt, dat ook het grondplan van de boerderij een L- of T-vorm heeft gekregen.

Hallehuisboerderij als basis

De basis van de krukhuis- en T-boerderij in hun meest oorspronkelijke vorm is de hallehuisboerderij. Het hallehuis heeft een compacte, rechthoekige plattegrond. Het voorhuis heeft een woonfunctie, terwijl het achterhuis de bedrijfsruimte herbergt. De plattegrond van dit boerderijtype is driebeukig, met een brede middenbeuk en twee smalle zijbeuken.

Aanleidingen

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom de kruk- en T-huisboerderijen uit hallehuizen zijn ontstaan. Soms was er behoefte aan meer wooncomfort. Die werd ingegeven door een groeiende welvaart of de wens om een bepaalde status tot uitdrukking te brengen. In het laatste geval dienden wellicht voorbeelden van voorname burgerhuizen in de steden als voorbeeld. Hun deftige, brede voorgevels zijn in veel uitgebouwde woonhuizen van hallehuisboerderijen terug te vinden. Soms lagen ook bedrijfstechnische redenen ten grondslag aan de uitbreiding van het voorhuis, bijvoorbeeld omdat er behoefte was aan meer werkruimte of een grotere melkkelder. In het Utrechtste weidegebied werd vaak de opkamer boven de kelder verhoogd om als kaaskamer dienst te doen. Soms werd tegelijkertijd de melkkelder vergroot. En in Zuid-Holland waar veel boter werd gemaakt, was vaak een grote kelder nodig waar de melk koel weggezet kon worden om op te romen. In andere streken werd vroeger juist zoetemelkse kaas uit de volle melk gemaakt. Daarvoor was geen grote kelder nodig en bleef de uitbreiding van het woongedeelte meestal beperkt tot verhoging van de opkamer. Bij gemengde bedrijven kon de uitbouw zijn ingegeven door de behoefte aan een grotere opslagruimte voor graan. Dat werd vroeger op zolder boven het woonhuis bewaard. Zo hebben er overal weer andere redenen aan de uitbouw van het woongedeelte van een hallehuisboerderij ten grondslag gelegen.

Nieuwbouw

Later zijn krukhuis- en T-boerderijen ook als afzonderlijke boerderijvormen ingeburgerd geraakt en werden ze nieuw gebouwd. Dergelijke nieuwbouw komt voor in grote delen van het hallehuisgebied. Dat beslaat Zuidoost Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, het zuidoosten van Noord-Holland en Zuid-Holland, Noord-Brabant en Noord-en Midden-Limburg. De meeste en markantste krukhuis- en T-boerderijen zijn echter te vinden langs de grote rivieren. Dat heeft te maken met de beschikbaarheid van rivierklei. Voor de uitbouw van een hallehuis tot een krukhuis- en T-boerderijen is immers veel baksteen nodig en die wordt van rivierklei gebakken.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • 'Krukboerderij en T-boerderij', landleven 5e jaargang nummer 1- januari/februari 2000

Links

Verder lezen