Schaapskooi

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Een schaapskooi is een vrijstaande of aan de boerderij aangebouwde of ingebouwde stalruimte die dienst deed als nachtverblijf voor de schaapskudde.

Potstal

Is in deze moderne tijd het mestoverschot een probleem, vroeger was er met name op de zandgronden juist een groot tekort aan mest. De boeren konden de bodemvruchtbaarheid maar met moeite op peil houden. Ze deden er dan ook alles aan om zoveel mogelijk mest te verzamelen. Eén manier was schapen houden. Een schaapskooi was in feite een grote potstal. De kooi werd een halve meter of meer uitgegraven, zodat de dieren daar hun uitwerpselen konden deponeren. De boer spreidde regelmatig plaggen en stro over de uitwerpselen om zo de mesthoeveelheid te vergroten en de stal enigszins schoon te houden. Soms stonden de schapen aan het einde van de winter wel anderhalve meter hoger dan in het begin. Als in september de rogge werd gezaaid, werd de schaapskooi uitgemest. De akkers werden voor en na het zaaien gemest. De schaapskooi fungeerde ook als bewaarplaats voor de mest uit de rundveestallen. De zijpotstallen werden in de zomer wekelijks of maandelijks uitgemest. In de winter werden ze alleen afgemest, de dunne mest werd eruit gehaald en naar de schaapskooi gebracht. Stro en strooisel bleven tot half maart in de potstal en werden dan direct op het land gebracht.

Variatie in bouw

De ‘mestproductiecentra’ werden bij de boerderij gebouwd. Er waren ook boeren die daarnaast een schaapskooi op de heide hadden, als weidegronden ver van de boerderij lagen. Tijdens het weideseizoen bleef de schaapsherder met zijn kudde langere, aaneengesloten perioden op de heide. ’s Avonds zocht hij met zijn schapen de schaapskooi op, waar hij dan ook zelf overnachtte. Pas aan het einde van het weideseizoen keerde de kudde voor de winter terug naar de boerderij. Van Drenthe tot in het oostelijk deel van Utrecht werden vroeger karakteristieke schaapskooien met laag aflopende schilddaken gebouwd. Het waren langwerpige gebouwtjes, vaak met afgeschuinde hoeken. Ze hadden smalle kopgevels met dubbele toegangspoorten, waardoor de schapen in en uit konden gaan en de mest naar buiten kon worden gereden. De dakconstructie was vaak heel eenvoudig, bijvoorbeeld met een sportenkap, rustend op platen die over de lage zijwanden lagen. De daken waren gedekt met stro of soms riet, maar ook wel met heideplaggen en een enkele keer met dakpannen. De wanden waren uit hout opgetrokken, soms met gemetselde grondmuurtjes. De schaapskooien in het oosten van het land waren altijd eenbeukig. Het dak rustte dus volledig op de wanden. Omdat die onder het gewicht naar buiten werden gedrukt, waren ze meestal geschoord met schuine balken. Ook was er aan de buitenkant vaak een aarden wal tegen de wanden opgeworpen.

Schapen in de schuur

Niet altijd en overal zijn bij boerderijen karakteristieke schaapskooien gebouwd. In delen van het land werd ook gewoon een deel van de schuur als schaapskooi ingericht. Bijvoorbeeld in Noord-Limburg. Grotere boerderijen bestonden hier uit een apart woonstalhuis en een parallel daaraan gelegen schuur. Het stalgedeelte van het woonstalhuis was in hoofdzaak voor de koeien. De schapen waren ondergebracht in een afgescheiden deel van de schuur. Een dubbele poort gaf toegang tot de schapenstal.

Texelse schapenboet

Texel is bekend vanwege de vele schapen, met name in het glooiende zuidelijke deel van het eiland. Typisch Texelse bijgebouwtjes voor de schapenhouderij zijn de schapenboeten of ‘skiipeboete’. Het woord ‘boet’ komt van het werkwoord bouwen en betekent schuurtje. Een schapenboet heeft een vierkant gebint met vier stijlen, bovenaan verbonden door horizontale balken. In dat vierkant kan hooi worden bewaard. Om het vierkant heen zijn aan drie zijden zijbeuken onder laag aflopende dakvlakken geconstrueerd. De vierde zijgevel wordt afgesloten door een meestal uit houten planken opgetrokken topgevel die direct tegen het vierkant is geplaatst. Het is met name deze gevel die de Texelse schapenboet zijn karakteristieke uiterlijk geeft. De schapenboeten staan bijna allemaal met vlakke topgevel naar het noordoosten gekeerd omdat de wind in ons land meestal uit het zuidwesten komt. De gebouwtjes staan dus met de schuine dakvlakken in de wind. Dat is ook een voordeel bij het binnenbrengen van het losse hooi. Dat kan dan in de luwte van het gebouwtje gebeuren. Een schapenboet wordt niet als schaapskooi gebruikt. Texelse schapen blijven bijna altijd buiten. De boeten zijn vooral bedoeld om hooi en materialen in op te slaan, als noodstal en om aan ooien een plaats te bieden om te lammeren.

Schaap en heide

Van nature komt heide in Nederland voor op kalkarme zandgronden in duingebieden en aan de randen van hoogveen. De heidegebieden in het binnenland zijn gedurende de Middeleeuwen door mensenhanden ontstaan: intensieve begrazing met schapen en afplaggen deden en doen het werk. Aan het einde van de negentiende eeuw was nog ruim 20 procent van het oppervlak van Nederland grotendeels bedekt met heide. Met het beschikbaar komen van kunstmest verminderde de behoefte aan schapenmest en dus aan heidegronden om de schapen te weiden. Bovendien werd het mogelijk de heidevelden te ontginnen voor bos- of landbouwgrond. Aan het eind van de twintigste eeuw bestond nog minder dan één procent van Nederland uit hei. Tegenwoordig grazen schapen vooral op grasland.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • Ton van der Heijden (red.) Nederland Dichterbij Boerderijen (Amsterdam 1996), p. 87
  • Landleven 14e jaargang nummer 8 december 2009
  • Bouwhistorie van boerderijen. Ontstaan en vorm van de boerderijen in Alblasserwaard en Vijfherenlanden, Stichting Boerderij en Erf Alblasserwaard – Vijfherenlanden 2001