Schoor

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Schoren in de voorgevel van een boerderij op landgoed Twickel. Bron: Vrij, L., Boerenerven op het landgoed Twickel, Bouw, beheer en onderhoud, Landgoed Twickel Twente Overijssel Nederland, afbeelding kaft.

Een schoor is een schuin geplaatst houten onderdeel dat zorgt voor de stabiliteit van de constructie. Schoren komen veel voor in kapconstructies en gebintconstructies. In een gebintconstructie zorgt de schoor voor een stijve driehoek tussen de gebintbalk en de gebintstijl. Voor twee typen van schoren bestaan vrij algemeen gebruikelijke termen: het korbeel en de windschoor. Een korbeel is een schoor tussen een stijl en de horizontale balk van een gebint of een kapspant. Een windschoor is een schoor tussen een stijl of been (van een gebint of een kapspant) en een plaat of gording (opgelegd op of in datzelfde gebint of kapspant), ten dienst evan de stabiliteit van de houtconstructie als geheel.

Steekschoor

'Schoor in een houtconstructie, boven met een pen in een gat gestoken, onder gespijkerd.' (E.J. Haslinghuis en H. Janse Bouwkundige termen, Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie (4de druk, Leiden 2001), p.436)

Windverband

In een kapconstructie zijn schoren vooral belangrijk voor het windverband. Een windverband moet de winddruk opvangen die haaks op de kapconstructie staat. Als een kapconstructie geen goed windverband heeft kunnen de kapspanten scheef komen te staan (schranken). Het windverband kan op verschillende manieren gerealiseerd worden. Door een windschoor of een windlat. Ook het aanbrengen van een goed vast gespijkerd dakbeschot draagt bij aan het windverband.

Windschoor

'Schuin oplopend stuk hout, in de lengte richting van de kapconstructie aangebracht tussen een spantdeel en een fliering of gording. Daarmee wordt de stijfheid van de kap in die richting verzekerd en de winddruk opgenomen. Ook: spreiband, windband, stormband.' (E.J. Haslinghuis en H. Janse Bouwkundige termen, Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie (4de druk, Leiden 2001), p.517)

Windlat

'Schuin oplopende lat, onder tegen een opeenvolgende serie daksporen gespijkerd om schranken tegen te gaan. Eerste vorm van windverband in een kapconstructie.' (E.J. Haslinghuis en H. Janse Bouwkundige termen, Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie (4de druk, Leiden 2001), p.516)

Verder lezen

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • E.J. Haslinghuis en H. Janse Bouwkundige termen, Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie (4de druk, Leiden 2001), p.406, 436, 516, 517.
  • G. Berends, Historische houtconstructies in Nederland, Arnhem 1999