Tabaksschuur

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De tabaksschuur is de ruimte waar de tabaksoogst wordt gedroogd en bewaard.

De tabaksteelt

De Nederlandse tabakscultuur concentreerde zich in Zuid-oost Utrecht en West-Gelderland. Met name de door de zon beschenen zuidhellingen van de Utrechtse Heuvelrug rond Amerongen en Elst leenden zich daarvoor. Daar werd tabak in kleine, beschutte, zwaar bemeste tuinen geteeld. Het geschiktst was met plaggen vermengde schapenmest, aangevuld met duivenmest. Voor de tuinen werd zelfs vette schapenmest van elders aangevoerd. De zware bemesting was nodig om een vet, zwaar tabaksblad voort te brengen. Daarop was de vraag gericht, vanwege de geschiktheid om er de populaire snuiftabak van te maken; een tot poeder gemalen, gesausde tabak. De tuinen werden omringd door een elzenhaag om de tabaksplanten tegen de wind te beschermen. Het zaad ervan werd eerst opgekweekt in bakken, waarna de jonge plantjes zorgvuldig werden uitgeplant in wallen. Ook het oogsten moest met veel zorg gebeuren. Niet de hele plant werd geoogst, maar alleen de rijpe bladeren. De tabaksteelt was zeer geschikt voor het kleine familiebedrijf vanwege het arbeidsintensieve karakter ervan.

De tabaksschuur

Voor het drogen van de tabak werden al vanaf circa 1660 tabaksschuren gebouwd, voorzien van ventilatieluiken om het droogproces te reguleren. Er was een ingewikkeld stelsel van droogrekken in aangebracht, de zogenaamde ‘hanken’, waarin de tabaksbladeren, die aan dunnen spijlen werden geregen, werden opgehangen. Aan het einde van de zeventiende eeuw waren de tabaksschuren een bekend verschijnsel geworden. In het algemeen hadden ze een grote, langgerekte bouwmassa en een van pannen voorzien zadeldak. De wanden hadden een lage, bakstenen voetmuur en waren verder opgebouwd uit geteerde planken en voorzien van veel ventilatieopeningen. De draagconstructie van de tabaksschuur bestond uit een serie ankerbalkgebinten. De schuren konden een-, twee- of driebeukig zijn.

Van vette naar dunne tabak

Vanaf halverwege de negentiende eeuw nam de vraag naar tabak van de zandgronden verder af. Het was ‘vette tabak’ en de vraag verschoof juist naar dunner dek- en omblad ten behoeve van sigarenproductie. Dat werd geteeld in het rivierengebied, waar de omstandigheden voor tabak eigenlijk minder gunstig waren. Op de natte en koudere gronden was het groeiseizoen korter en bovendien werd er vanouds minder zwaar gemest.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • 'Tabaksschuren', in: Ton van der Heijden (red.) Nederland Dichterbij Boerderijen (Amsterdam 1996)

Links

Verder lezen