Utrechts Zandgebied

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Boerderij Het Grote Stuk te Driebergen met bakhuis en schuur, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Boerderij De Engh te Driebergen met schaapskooi: grote T-huisboerderij met erker en andere stijlkenmerken uit de burgerlijke bouwkunst, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Schaapskooi bij boerderij De Engh te Driebergen, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Tabaksschuur (links) en zomerhuis (rechts) bij boerderij Rodestein te Amerongen, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.
Tabak hangt te drogen op hanken in de tabaksschuur bij boerderij Rodestein te Amerongen, Bron: Boerderijen Stichting Utrecht.

Het zandgebied behoorde in het verleden niet tot het welvarendste deel van de provincie en de boerderijvormen zijn er over het algemeen betrekkelijk klein, eenvoudig van vorm en dicht bij het uitgangstype gebleven. Men vindt hier overwegend de enkelvoudige, rechthoekige hoofdvorm met lage zijgevels en al dan niet afgewolfd zadeldak. Zowel in het woongedeelte als in de bedrijfsruimte is de oorspronkelijke driebeukige opzet met de onderverdeling in gebintvakken meestal nog goed herkenbaar. Ook de verstening heeft hier over het algemeen later plaatsgevonden dan in het westelijke deel van de provincie of langs de grote rivieren. Met name voor het bedrijfsgedeelte van de boerderij en voor de bijgebouwen werd nog tot het einde van de 19de eeuw veel gebruik gemaakt van hout. Ook het voorhuis heeft hier lang zijn traditionele opzet met gebintconstructie behouden en in een enkel geval zijn nog sporen van een houtskelet te vinden in de voorgevel. Woon- en bedrijfsgedeelte zijn van elkaar gescheiden door middel van een dwarsmuur, waartegen zich ook de stookplaats bevindt. Het voorhuis behield over het algemeen de enkelvoudige hallehuisvorm met lage zijgevels, al werden deze in de loop der tijd vaak iets verhoogd ten opzichte van die van het bedrijfsgedeelte. In de zijbeuken vindt men de gebruikelijke kleinere vertrekjes die als berging of slaapplaats dienst deden; de middenruimte bevat de woonkamer. In een van de zijbeuken bevindt zich een ruimte voor huishoudelijke werkzaamheden, de boengoot of spoelruimte. Dit vertrek is meestal gesitueerd op de overgang tussen voor- en achterhuis en heeft daardoor tevens de functie van portaal of verbindingsruimte tussen woon- en bedrijfsgedeelte. In de loop der tijd groeide deze spoelruimte uit tot keuken en dagelijkse woonruimte.

Voorkamer

De voorkamer, waar zich tevoren het grootste deel van het dagelijks leven afspeelde, kreeg door de komst van de woonkeuken de functie van pronk- of zitkamer. In veel gevallen ontbreekt een voordeur en vormt een deur in de zijgevel, uitkomend op de keuken, de voornaamste toegang. Daar waar wel een afzonderlijke toegang in de kopgevel aanwezig was, gaf deze vaak nog lang rechtstreeks toegang tot de woonkamer, zonder dat zich hierachter een gang ontwikkelde. Mogelijk had dit te maken met het feit dat men het huis in de praktijk vrijwel altijd via de deur in de zijgevel betrad en de eigenlijke voordeur dus weinig werd gebruikt. De eerder besproken tendens om een toenemend aantal ruimten af te scheiden tussen voor- en achterhuis deed zich ook in dit gebied voor, zij het dat een volledige woon-werk-travee hier minder algemeen voorkomt dan in het westen van de provincie. Hoewel de meeste boerderijen op de zandgronden de enkelvoudige hallehuisvorm behielden, werden vooral in de loop van de 19de eeuw ook verscheidene (meestal grotere) boerderijen gebouwd met dwars voorhuis. Het betreft hier echter geen zelfstandige ontwikkeling, maar een navolging van de T-huisboerderijen uit het rivierengebied, waar dit type in de loop der tijd een zekere statuswaarde had verkregen. Het krukhuis komt slechts bij hoge uitzondering voor.

Bedrijfsvorm

Op de zandgronden overheerste vanouds het gemengde bedrijf met de nadruk op akkerbouw, waarbij in Utrecht vooral de boekweitteelt van belang was. Het bedrijfsgedeelte behield hier tot in deze eeuw de zuivere hallehuisindeling met ankerbalkgebinten, oogstberging op zolder, open middenlangsdeel en stallen in de zijbeuken. Afgezien van een zekere geleidelijke vergroting van het hoofdgebouw en een toename van het aantal bijgebouwen, lijkt de hoofdopzet van de boerderijen tot rondde eeuwwisseling nauwelijks te zijn aangetast door de ontwikkelingen in het landbouwbedrijf. De deel bevindt zich in langsrichting in de midden-beuk en is toegankelijk door de brede inrijdeuren in het midden van de achtergevel. De koestallen bezaten hier ook in het begin van deze eeuw al algemeen een indeling met grup en mestgang, vaak in combinatie met mestluiken of -deuren in de zijgevel. In een voorgaand stadium ontbrak de afzonderlijke kruigang en bevond zich achter de koestand alleen een ondiepe mestgoot tot aan de zijgevel. Mogelijk waren de boerderijen hier, zoals ook overal elders op de zandgronden, in een eerder stadium voorzien van verdiepte potstallen. In Utrecht moet deze stalvorm dan echter om bedrijfstechnische redenen al vóór 1800 zijn verdwenen; ook in de vroegste gedocumenteerde voorbeelden werden hiervan (afgezien van de schaapskooien en vrijstaande jongveestallen) geen sporen meer aangetroffen. Als bijgebouwen vindt men vooral kleinere bijschuren, kapbergen (zowel voor hooi als voor graanberging), varkens- en jongveestallen en bakhuisjes.

Schaapskooien en tabaksschuren

Twee bijzondere soorten gebouwen, die nauw verbonden zijn met de agrarische geschiedenis van het Utrechtse zandgebied, verdienen een aparte vermelding: het zijn de schaapskooien en de tabaksschuren. De schapenteelt heeft in dit gebied vanouds onderdeel uitgemaakt van het bedrijf. Enerzijds werden deze dieren gehouden voor hun mest, anderzijds kon de wol worden verkocht ten behoeve van de textielindustrie. De schaapskooien hebben een duidelijk herkenbare vorm, met afgeschuinde hoeken en een laag aflopend rieten schilddak, dat boven de toegangsdeuren in de kopgevel is opgelicht. In tegenstelling tot de schaapskooien op de Veluwe en in Drenthe zijn de Utrechtse voorbeelden meestal voorzien van een inwendige gebintconstructie met ankerbalkgebinten, waardoor uitwendige schoren ontbreken. De oudste voorbeelden hebben geheel houten wanden, vaak op een lage voetmuur van baksteen; recentere schaapskooien zijn ook wel voorzien van volledig stenen muren. De tabaksschuren herinneren aan een bijzondere episode in de agrarische geschiedenis van het Utrechtse zandgebied. De tabaksteelt, die opkwam in de eerste helft van de 17de eeuw, heeft in het oostelijke gedeelte van de provincie, in het gebied rond Amersfoort en ook zuidelijker, rond Amerongen, Leusden en Rhenen, tot ver in de 18de eeuw een belangrijke plaats ingenomen in de economie van het landbouwbedrijf. De tabak, die in kleine beschutte tabakstuinen werd geteeld, werd blad voor blad geoogst en zorgvuldig gedroogd in speciale, goed geventileerde schuren. Deze tabaksschuren hebben een opvallend uiterlijk door hun grote, langgerekte bouwmassa met van pannen voorzien zadeldak en geteerde houten wanden. De draagconstructie bestaat uit een serie ankerbalkgebinten; de gevels zijn boven een lage bakstenen voetmuur meestal van hout, met horizontale of verticale beplanking, waarin zich smalle ventilatiekleppen bevinden. Van binnen waren de tabaksschuren voorzien vaneen ingewikkeld stelsel van droogrekken, de hanken, waarop de tabak aan dunne houten spijlen geregen werd opgehangen. Naast de éénbeukige vorm vond men in Utrecht vooral ook het driebeukige type met lage zijgevels.

Bron

Deze tekst is afkomstig uit: Stichting Historisch Boerderij-onderzoek, Landelijke bouwkunst. Utrecht, Arnhem 1993. De mappen Landelijke bouwkunst van de SHBO met opmetingstekeningen zijn in te zien in de bibliotheek van de RCE.

Verder lezen