Voeg herstellen

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

"De voeg is het zichtbare deel van de mortel (de verharde specie) tussen de stenen van het metselwerk." ([cultureelerfgoed.nl/node/945/ Brochure techniek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2, Herstel van voegwerk]). Voegwerk herstellen moet na het herstellen van het metselwerk gebeuren.

Soorten voegwerk

Verschillende voegsoorten. Afbeelding uit Monumentenwacht, Inspectiehandboek 1, 1.2, p.19
Er bestaan verschillende manieren om te voegen. De mortel tussen bakstenen kan direct bij het metselen doorgestreken zijn met een dagstreep. Dit gebeurde tot halverwege de 19de eeuw vrij algemeen, daarna werd het vrij zeldzaam. Vanaf de 18de eeuw ging men over op het na-voegen. Hierbij is de mortel niet tijdens het metselen doorgestreken, maar de metselaar krabt aan het einde van de werkdag de voegen uit. Als al het metselwerk klaar is komt de voeger. Deze brengt in de uitgekrabte ruimte tussen de bakstenen een voeg aan in de goede kleur en vorm.

Er zijn verschillende soorten voegen. Door slijtage is het vaak moeilijk te zien wat de oorspronkelijke voeg was. Er wordt onderscheid gemaakt in doorgestreken voegen, platvolle voegen, iets terugliggende voegen, verdiepte voegen (doorgestreken), gesneden voegen, geknipte voegen en schaduw voegen.

Voegen die op boerderijen voorkwamen

Bij boerderijen komt ook in het voegwerk het verschil tussen 'voor' en 'achter' terug. Het woongedeelte (voor) kreeg een rijkere voeg dan het werkgedeelte (achter). Een rijke boer liet het voorhuis soms met een geknipte voeg voegen. Achter werd er altijd een eenvoudiger voeg toegepast. Helaas worden tegenwoordig veel boerderijen rondom gevoegd met een geknipte en gesneden voeg. Dit is jammer want dat doet afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van het pand. Voegen die op een boerderij veel toegepast werden zijn: de doorgestreken voeg, platvolle voeg, iets terugliggende voeg en een platvolle voeg met dagstreep.

Mode in voegwerk

Goede voegen zijn niet alleen belangrijk om het water uit de gevel te houden. Ook bepaalt het voegwerk voor een belangrijk deel het uiterlijk van het pand. Vroeger probeerde men een zo dun mogelijke voeg te maken. Vooral in de 18de eeuw werden op dat gebied ware meesterwerken gemaakt. Het resultaat van dergelijk verfijnd voegwerk is dat de gevel een rustig harmonisch geheel vormd. Momenteel is het de mode om een dikke witte en ver buiten de gevel stekende voeg te maken. Hierdoor veranderd de gevel van karakter. Niet meer de gevel als geheel is belangrijk maar de gevel valt als het ware in blokjes uiteen. Dit geeft een heel onrustig gevelbeeld. Deze dikke ver buiten de gevel stekende voegen worden gemaakt met onder andere witte cement. Deze zijn dus veel harder van samenstelling dan de authentieke kalkvoegen. Dit heeft weer grote consequenties voor de vochthuishouding in de gevel.

Vervang geen voegwerk als het geen technische noodzaak heeft

Door de veranderde mode wordt tegenwoordig vaak het voegwerk vervangen als er geen technische noodzaak voor is. Hierdoor wordt de authenticiteit van het pand aangetast. Als het bestaande voegwerk nog goed is, is het aannemelijk dat het nog tientallen jaren goed blijft. Voor nieuw voegwerk is dat niet gegarandeerd. Daarom is behouden gaat voor vernieuwen ook een goed uitgangspunt. Daar komt bij dat bij het ophakken en uitslijpen van de voegen vrijwel altijd de stenen beschadigd worden. De schade kan onherstelbaar zijn. Beperk de reparatie tot de slechte delen van het voegwerk. Het kan u veel geld besparen.

Herstellen van de voeg

Herstellen van een voeg. Afbeelding uit Lennert Vrij, Boerenerven op het landgoed Twickel, p.87.
Als herstel van voegen noodzakelijk is, is het van belang dat de omliggende bakstenen niet beschadigen. Het gebruik van een slijptol mag dus maar heel beperkt worden toegepast en er moet ook een zeer dun blad op bevestigd worden zodat alleen de voeg ingesneden wordt. Hierna kan er met een kleine beitel en een hamer voorzichtig gewerkt worden en wordt alleen de voeg verwijderd tot voldoende diepte. Al het vuil moet worden weggeblazen en afgevoerd. Het metselwerk moet daags van te voren worden bevochtigd zodat de nieuwe voegmortel niet direct van vocht wordt onttrokken door het omringende metselwerk.

Ook de mortelsamenstelling moet afgestemd zijn op het bestaande werk. Zo hoort bij een zachte steen een zachte mortel met veel kalk en geen of weinig cement. De meeste historische gebouwen, zeker woonhuizen van vóór 1900, zijn gemetseld, gevoegd en gepleisterd met kalkmortels. Dit zijn mortels waarin kalk het bindmiddel is (en zand het toeslagmiddel). Bij cementmortels is cement het bindmiddel. Door deze eigenschappen is een kalkvoeg altijd zachter dan of even zacht als de omringende baksteen. Dat is een waardevolle eigenschap bij buitenmuren. Die moeten immers veel vocht kunnen transporteren: van binnen naar buiten en de regen die in de gevel getrokken is moet ook weer goed kunnen verdampen. Vochttransport vindt plaats via de weg van de minste weerstand: in geval van kalkmortel is dat de voeg. Kalkvoegen nemen eenvoudig vocht op en kunnen het ook weer snel afstaan. En als er een keer iets kapot vriest is het de voeg en niet de baksteen, want die neemt minder snel vocht op.

Deze tekst is gebaseerd op:

Verder lezen