Zeeuwse schuur: verschil tussen versies
(Aanvulling en foto's) |
|||
| Regel 1: | Regel 1: | ||
[[Bestand:Exterieur zijaanzicht Zeeuwse schuur - 20000127 - RCE.jpg|miniatuur|Zeeuwse schuur in Kwadendamme]] | [[Bestand:Exterieur zijaanzicht Zeeuwse schuur - 20000127 - RCE.jpg|miniatuur|Zeeuwse schuur in Kwadendamme]] | ||
| − | Traditionele Zeeuwse [[schuur|schuren]] zij meestal van [[hout]]. Pas na 1900 werden ze ook wel in [[baksteen]] gebouwd. De meeste Zeeuwse schuren zijn behoorlijk groot met laagaflopende [[dak]]vlakken. Ze werden meestal met een [[kopgevel]] naar het noordwesten gesitueerd om schade door noordwesterstormen zo veel mogelijk te voorkomen. Traditioneel zijn de inrijpoorten wit afgebiesd, evenals het [[klinket]] - het personendeurtje – dat zich in iedere poort bevindt. Het klinket maakt het mogelijk om de schuur binnen te gaan zonder dat de grote [[deur]]en geopend hoeven te worden. Naar verluid waren de witte biezen aangebracht om ook in het donker de toegangen in de zwart geteerde gevels te kunnen zien. In de Zeeuwse boerenschuur zijn [[dorsvloer]], [[tasruimte]] voor de [[oogst]], koe[[stal]] en [[paardenstal]] onder één dak bijeengebracht. Afhankelijk van de grootte van de schuur had ze één, twee of zelfs drie dwarsdelen, van waaruit de tasruimten zonder al te veel moeite konden worden gevuld met oogstproducten. Vaak zijn de poorten goed herkenbaar omdat het laag [[schuurdeurkapel|aflopende dak ter plaatse opwelft]]. | + | Traditionele Zeeuwse [[schuur|schuren]] zij meestal van [[hout]]. Pas na 1900 werden ze ook wel in [[baksteen]] gebouwd. De meeste Zeeuwse schuren zijn behoorlijk groot met laagaflopende [[dak]]vlakken. Ze werden meestal met een [[kopgevel]] naar het noordwesten gesitueerd om schade door noordwesterstormen zo veel mogelijk te voorkomen. Traditioneel zijn de inrijpoorten wit afgebiesd, evenals het [[klinket]] - het personendeurtje – dat zich in iedere poort bevindt. Het klinket maakt het mogelijk om de schuur binnen te gaan zonder dat de grote [[deur]]en geopend hoeven te worden. Naar verluid waren de witte biezen aangebracht om ook in het donker de toegangen in de zwart geteerde gevels te kunnen zien. |
| + | |||
| + | In de Zeeuwse boerenschuur zijn [[dorsvloer]], [[tasruimte]] voor de [[oogst]], koe[[stal]] en [[paardenstal]] onder één dak bijeengebracht. Afhankelijk van de grootte van de schuur had ze één, twee of zelfs drie dwarsdelen, van waaruit de tasruimten zonder al te veel moeite konden worden gevuld met oogstproducten. Vaak zijn de poorten goed herkenbaar omdat het laag [[schuurdeurkapel|aflopende dak ter plaatse opwelft]]. | ||
| + | |||
| + | ==== Paardenstal ==== | ||
| + | De paardenstal is één van de onderdelen die werden samengebracht in de grote Zeeuwse schuur. De plaatsing van de deur van de paardenstal verschilde per schuur. Bij het ene boerenbedrijf bevond de staldeur zich in de voorgevel, terwijl deze bij een andere juist weer in de zijgevel te vinden was. In oude Zeeuwse schuren bestond de staldeur doorgaans uit een onder- en bovendeur. Wanneer het buiten warm was kon de bovendeur open blijven staan. De staldeur was vaak de enige deur in de schuur die 's nachts met een stevig slot afgesloten werd. Welke deur de staldeur was kon vaak worden herkend aan de aanwezigheid van een grote kogelronde steen naast de deur. Deze witte steen werd gebruikt om het paard makkelijker te bestijgen. | ||
| + | |||
| + | De paardenstal zelf was een afgesloten ruimte waarin doorgaans vier tot acht paarden gestald konden worden. De stal was volledig bestraat met klinkers. Paardenboxen (ook wel: [[Bocht|bochten]]) waren niet aanwezig. De paarden werden van elkaar gescheiden doormiddel van ronde of vierkante houten balkjes die tussen de 75 en 1 meter in kettingen hingen. Aan het eind waren deze balken vastgemaakt aan de muur doormiddel van een ijzeren haak en oog. Om de urine van de paarden op te vangen was een klein ondiep gootje aanwezig. Via dit gootje werd de urine naar de [[Grup|gruppe]] achter de koeien doorgeleid. | ||
| + | |||
| + | Tegen de schuurwand van de paardenstal hingen gereedschappen en het tuig. Daarnaast stond een bus met smout. Dit was vet waarmee lederen tuigen werden ingesmeerd om het soepel te houden. Aan de voorzijde van de paarden bevond zich de ruif waarin hooi en stro werd geworpen. Onder de ruiven vond men de voederbakken waarin haver, paardenbonen, gesneden wortels en mangels werd gegooid. Daar weer onder, vlak boven de grond, bevonden zich de drinkbakken van de paarden, die zo'n 2x per daag bijgevuld werden. | ||
| + | |||
| + | === Wanden en daken === | ||
| + | De wanden van de schuur, de zogenoemde 'anslag', bestaat bij de houten schuren uit planken van 2.5 cm dikte. De planken werden [[Potdekselen|gepotdekseld]] over elkaar gezet. Zo werd regen en tocht geweerd. De wanden werden verder bewerkt met een mengsel van bruine en zwarte teer. De teer drong in het hout en zorgde dat het minder snel bedierf. In de regel werd dit proces om de drie jaar herhaald. | ||
| + | |||
| + | Contrasterend met de donkere kleur van de wanden, werden de raampjes in de [[mendeuren]] wit geschilderd en werden ook witte banden om de deuren aangebracht. Deze banden waren zo'n 5-7 cm breed. Naast de [[mendeuren]] bevonden zich in de zijwanden van de Zeeuwse schuur zogenoemde standvensters. Dit waren luiken die in de oogsttijd werden gebruikt voor het vanaf de menwagens binnenbrengen van hooi, [[graan]] en peulvruchten. Anders dan de deuren en de vensters in de [[Mendeuren|deuren]] kregen deze luiken geen witte randen. Bij sommige boerderijen bevond zich in de wanden ook nog een kleine deur naar het [[turfkot]]. In de voorzijde van de schuur bevond zich een dubbele boogvormige deur. Deze gaf toegang tot het wagenhuis. | ||
| + | |||
| + | Alleen hele oude Zeeuwse schuren beschikten nog over een [[rieten dak]]. Het kwam ook wel voor dat het schuurdak voor de helft uit [[Rieten dak|riet]], en voor de andere helft uit [[Pannendak|pannen]] bestond. | ||
===Los of vast=== | ===Los of vast=== | ||
[[Bestand:Boerderij buiten 19 06 2006 023.jpg|miniatuur|Boerderij 'Land en Zeezicht' in Kamperland met losse Zeeuwse schuur]] | [[Bestand:Boerderij buiten 19 06 2006 023.jpg|miniatuur|Boerderij 'Land en Zeezicht' in Kamperland met losse Zeeuwse schuur]] | ||
| − | Een kenmerk van de meeste Nederlandse boerderijen is dat wonen en werken onder een dak plaats vindt. Alleen in een deel van Zeeland is dat anders. Hoewel het woonhuis wel vaak tegen de schuur was aangebouwd, was de schuur een zelfstandig gebouw. In de loop der tijd werd het vanwege brandgevaar, ongedierte en statusoverwegingen steeds vaker geheel vrijstaand gebouwd. Hierdoor ontstond een boerderijcomplex met een grote houten schuur, een vrijstaande bakstenen woning en verschillende [[Bijgebouw|bijgebouwen]], dat typerend is voor het grootste deel van Zuidwest Nederland. Alleen op de Zuid-Hollandse eilanden bleef men huis en schuur meestal aan elkaar bouwen. | + | Een kenmerk van de meeste Nederlandse boerderijen is dat wonen en werken onder een dak plaats vindt. Alleen in een deel van Zeeland is dat anders. Hoewel het woonhuis wel vaak tegen de schuur was aangebouwd, was de schuur een zelfstandig gebouw. In de loop der tijd werd het vanwege brandgevaar, ongedierte en statusoverwegingen steeds vaker geheel vrijstaand gebouwd. Hierdoor ontstond een boerderijcomplex met een grote houten schuur, een vrijstaande bakstenen woning en verschillende [[Bijgebouw|bijgebouwen]], dat typerend is voor het grootste deel van Zuidwest Nederland. Alleen op de Zuid-Hollandse eilanden bleef men huis en schuur meestal aan elkaar bouwen. |
===Bron=== | ===Bron=== | ||
Versie van 23 feb 2024 15:50
Traditionele Zeeuwse schuren zij meestal van hout. Pas na 1900 werden ze ook wel in baksteen gebouwd. De meeste Zeeuwse schuren zijn behoorlijk groot met laagaflopende dakvlakken. Ze werden meestal met een kopgevel naar het noordwesten gesitueerd om schade door noordwesterstormen zo veel mogelijk te voorkomen. Traditioneel zijn de inrijpoorten wit afgebiesd, evenals het klinket - het personendeurtje – dat zich in iedere poort bevindt. Het klinket maakt het mogelijk om de schuur binnen te gaan zonder dat de grote deuren geopend hoeven te worden. Naar verluid waren de witte biezen aangebracht om ook in het donker de toegangen in de zwart geteerde gevels te kunnen zien.
In de Zeeuwse boerenschuur zijn dorsvloer, tasruimte voor de oogst, koestal en paardenstal onder één dak bijeengebracht. Afhankelijk van de grootte van de schuur had ze één, twee of zelfs drie dwarsdelen, van waaruit de tasruimten zonder al te veel moeite konden worden gevuld met oogstproducten. Vaak zijn de poorten goed herkenbaar omdat het laag aflopende dak ter plaatse opwelft.
Paardenstal
De paardenstal is één van de onderdelen die werden samengebracht in de grote Zeeuwse schuur. De plaatsing van de deur van de paardenstal verschilde per schuur. Bij het ene boerenbedrijf bevond de staldeur zich in de voorgevel, terwijl deze bij een andere juist weer in de zijgevel te vinden was. In oude Zeeuwse schuren bestond de staldeur doorgaans uit een onder- en bovendeur. Wanneer het buiten warm was kon de bovendeur open blijven staan. De staldeur was vaak de enige deur in de schuur die 's nachts met een stevig slot afgesloten werd. Welke deur de staldeur was kon vaak worden herkend aan de aanwezigheid van een grote kogelronde steen naast de deur. Deze witte steen werd gebruikt om het paard makkelijker te bestijgen.
De paardenstal zelf was een afgesloten ruimte waarin doorgaans vier tot acht paarden gestald konden worden. De stal was volledig bestraat met klinkers. Paardenboxen (ook wel: bochten) waren niet aanwezig. De paarden werden van elkaar gescheiden doormiddel van ronde of vierkante houten balkjes die tussen de 75 en 1 meter in kettingen hingen. Aan het eind waren deze balken vastgemaakt aan de muur doormiddel van een ijzeren haak en oog. Om de urine van de paarden op te vangen was een klein ondiep gootje aanwezig. Via dit gootje werd de urine naar de gruppe achter de koeien doorgeleid.
Tegen de schuurwand van de paardenstal hingen gereedschappen en het tuig. Daarnaast stond een bus met smout. Dit was vet waarmee lederen tuigen werden ingesmeerd om het soepel te houden. Aan de voorzijde van de paarden bevond zich de ruif waarin hooi en stro werd geworpen. Onder de ruiven vond men de voederbakken waarin haver, paardenbonen, gesneden wortels en mangels werd gegooid. Daar weer onder, vlak boven de grond, bevonden zich de drinkbakken van de paarden, die zo'n 2x per daag bijgevuld werden.
Wanden en daken
De wanden van de schuur, de zogenoemde 'anslag', bestaat bij de houten schuren uit planken van 2.5 cm dikte. De planken werden gepotdekseld over elkaar gezet. Zo werd regen en tocht geweerd. De wanden werden verder bewerkt met een mengsel van bruine en zwarte teer. De teer drong in het hout en zorgde dat het minder snel bedierf. In de regel werd dit proces om de drie jaar herhaald.
Contrasterend met de donkere kleur van de wanden, werden de raampjes in de mendeuren wit geschilderd en werden ook witte banden om de deuren aangebracht. Deze banden waren zo'n 5-7 cm breed. Naast de mendeuren bevonden zich in de zijwanden van de Zeeuwse schuur zogenoemde standvensters. Dit waren luiken die in de oogsttijd werden gebruikt voor het vanaf de menwagens binnenbrengen van hooi, graan en peulvruchten. Anders dan de deuren en de vensters in de deuren kregen deze luiken geen witte randen. Bij sommige boerderijen bevond zich in de wanden ook nog een kleine deur naar het turfkot. In de voorzijde van de schuur bevond zich een dubbele boogvormige deur. Deze gaf toegang tot het wagenhuis.
Alleen hele oude Zeeuwse schuren beschikten nog over een rieten dak. Het kwam ook wel voor dat het schuurdak voor de helft uit riet, en voor de andere helft uit pannen bestond.
Los of vast
Een kenmerk van de meeste Nederlandse boerderijen is dat wonen en werken onder een dak plaats vindt. Alleen in een deel van Zeeland is dat anders. Hoewel het woonhuis wel vaak tegen de schuur was aangebouwd, was de schuur een zelfstandig gebouw. In de loop der tijd werd het vanwege brandgevaar, ongedierte en statusoverwegingen steeds vaker geheel vrijstaand gebouwd. Hierdoor ontstond een boerderijcomplex met een grote houten schuur, een vrijstaande bakstenen woning en verschillende bijgebouwen, dat typerend is voor het grootste deel van Zuidwest Nederland. Alleen op de Zuid-Hollandse eilanden bleef men huis en schuur meestal aan elkaar bouwen.
Bron
De tekst is gebaseerd op:
- 'Niet onder één dak', Landleven 15e jaargang, nummer 1- januari/februari 2010
- Kooij, Ben en Judith Toebast. Het grote boerderijen boek. W Books, 2013.
Links
- schuur
- hout
- baksteen
- dak
- kopgevel
- klinket
- deur
- dorsvloer
- tasruimte
- oogst
- stal
- paardenstal
- schuurdeurkapel
- potdekselwerk