Tasruimte: verschil tussen versies

Uit Agriwiki
Regel 1: Regel 1:
De tasruimte is de plaats in de boerderij waar de [[oogst]] opgeslagen wordt.  
+
De tasruimte is de plaats in de boerderij waar de [[oogst]] opgeslagen wordt. Wat er opgeslagen werd varieerde per bedrijfsvorm, In een melkveebedrijf werdt vooral [[hooi]] opgetast. In een akkerbouwbedrijf [[graan]], [[bieten]] etc..  
  
===Typ hier de eerste eventuele kop===
+
===Een volle tas voor de winter===
Een boer kon vroeger niet zonder een of meer tasruimtes. Een akkerbouwer moest oogstproducten opslaan, omdat hij ze voor eigen gebruik nodig had, als zaai- of pootgoed voor volgend jaar of omdat de afnemer de boerderij tijdelijk niet kon bereiken. Daarnaast moest op een [[melkveebedrijf]] het hooi voor wintervoedering worden opgeslagen.  
+
Een boer kon vroeger niet zonder een of meer tasruimtes. Een akkerbouwbedrijf oogst in korte tijd een grote hoeveelheden. Deze oogst werdt voor korte of langere tijd opgeslagen op de tasruimte. Graan bijvoorbeeld werd -tot de komst van de dorsmachines- met de hand [[dorsen|gedorst]]. Dat dorsen nam een groot deel van de winter in beslag. Een deel van de oogst was ook voor eigen gebruik nodig (bv. voederbieten) en als zaai- of pootgoed voor volgend jaar. Daarnaast moest op een [[melkveebedrijf]] het hooi voor wintervoedering worden opgeslagen.  
  
 
===Regionale verschillen===  
 
===Regionale verschillen===  
De opslag van oogstproducten verschilde vroeger sterk van streek tot streek. Zo beschikten Groninger graanboeren over één of meer reusachtige [[schuur|schuren]], waarin het graan vanaf de grond werd opgetast. Ook Zeeuwse akkerbouwers hadden grote schuren, maar deze waren vaak uit [[hout]] opgetrokken. Deze grote schuren waren multifunctioneel. Ze bevatten niet alleen een [[dorsvloer]] en opslagruimte voor de oogst, maar ook stalruimte voor het rundvee en de paarden.  
+
De opslag van oogstproducten verschilde vroeger sterk van streek tot streek. Zo beschikten Groninger graanboeren over één of meer reusachtige [[schuur|schuren]], waarin het graan vanaf de grond werd opgetast. Ook Zeeuwse akkerbouwers hadden grote houten schuren. Deze grote schuren waren multifunctioneel. Ze bevatten niet alleen een [[dorsvloer]] en een tasruimte, maar ook stalruimte voor het rundvee en de paarden.  
In de [[zandgronden|zandstreken]] waren de oogsten minder omvangrijk en waren de oogstschuren dus minder groot. In Noord- en Midden-Limburg leidde dit tot de ontwikkeling van een vrijstaande dwarsdeelschuur. In Noord-Brabant kwam de Vlaamse schuur in gebruik, een eenvoudige graanschuur die halverwege de zeventiende eeuw in het westen van Brabant is ontstaan. Het is een driebeukig gebouw, waarvan een van de zijbeuken is verbreed en verhoogd tot een [[deel]] of dorsvloer. Aan één uiteinde van de deel bevindt zich een inrijpoort voor de oogstwagens. Om daarvoor voldoende hoogte te creëren, springt de korte gevel ter plaatse in en/of [[schuurdeurkapel|welft het dak op]].  
+
In de [[zandgronden|zandstreken]] waren de oogsten minder omvangrijk en waren de oogstschuren dus minder groot. In Noord- en Midden-Limburg leidde dit tot de ontwikkeling van een vrijstaande dwarsdeelschuur. In Noord-Brabant was de [[Vlaamse schuur]] in gebruik.  
  
 
===Hooiopslag===  
 
===Hooiopslag===  
Voor de wintervoedering van het vee werd [[hooi]] opgeslagen. In de Noord-Hollandse [[stolpboerderij]]en en de Friese [[kop-hals-rompboerderij]]en gebeurde dat inpandig, op de grond in de grote tasvakken tussen de [[gebintstijl]]en. De boerderijtypen waren hierop berekend, omdat ze [[dekbalkgebint]]en hadden. Daarbij liggen de gebintbalken op de koppen van de metershoge [[stijl]]en, waardoor er een zee van ruimt is onder de [[gebintbalk]]en.  
+
In de Noord-Hollandse [[stolpboerderij]]en en de Friese [[kop-hals-rompboerderij]]en werdt het hooi inpandig, op de grond in de grote tasvakken tussen de [[gebintstijl]]en opgeslagen. De boerderijtypen waren hierop berekend, omdat ze [[dekbalkgebint]]en hadden. Daarbij liggen de gebintbalken op de koppen van de metershoge [[stijl]]en, waardoor er een zee van ruimt is onder de [[gebintbalk]]en.  
Inpandige hooiopslag was niet mogelijk in de [[weidegebied]]en van Zuid-Holland en het westelijke deel van Utrecht. De plaatselijke boerderijtypen boden daartoe onvoldoende ruimte, omdat ze geen hoge [[dak]]en hadden. Het hooi werd in deze streken opgeslagen in [[hooiberg]] of [[kapberg]]en die direct achter of naast de boerderij lagen.
+
In het veen-weidegebied van Zuid-Holland en het westelijke deel van Utrecht werden het hooi op de hooizolder opgeslagen. De [[hooizolder]] is de zolder boven de deel van de boerderij. Vaak was hier niet genoeg ruimte voor al het hooi. Daarom hadden deze boerderijen ook een of meer [[hooiberg|hooibergen]].
 +
In de Alblasserwaard (in het oosten van Zuid-Holland) had veel te kampen met overstromingen. Deze kwamen zo vaak voor dat het hooi niet meer op de grond opgeslagen werd. Al het hooi werd op de hooizolder opgeslagen. Om toch voldoende ruimte te krijgen werd de hooizolder hiervoor vergroot en verhoogd. Boerderijen met een verhoogde hooizolder worden [[kamelendakboerderijen]] genoemd.  
 +
 
  
 
===Bron===
 
===Bron===

Versie van 28 jun 2012 08:41

De tasruimte is de plaats in de boerderij waar de oogst opgeslagen wordt. Wat er opgeslagen werd varieerde per bedrijfsvorm, In een melkveebedrijf werdt vooral hooi opgetast. In een akkerbouwbedrijf graan, bieten etc..

Een volle tas voor de winter

Een boer kon vroeger niet zonder een of meer tasruimtes. Een akkerbouwbedrijf oogst in korte tijd een grote hoeveelheden. Deze oogst werdt voor korte of langere tijd opgeslagen op de tasruimte. Graan bijvoorbeeld werd -tot de komst van de dorsmachines- met de hand gedorst. Dat dorsen nam een groot deel van de winter in beslag. Een deel van de oogst was ook voor eigen gebruik nodig (bv. voederbieten) en als zaai- of pootgoed voor volgend jaar. Daarnaast moest op een melkveebedrijf het hooi voor wintervoedering worden opgeslagen.

Regionale verschillen

De opslag van oogstproducten verschilde vroeger sterk van streek tot streek. Zo beschikten Groninger graanboeren over één of meer reusachtige schuren, waarin het graan vanaf de grond werd opgetast. Ook Zeeuwse akkerbouwers hadden grote houten schuren. Deze grote schuren waren multifunctioneel. Ze bevatten niet alleen een dorsvloer en een tasruimte, maar ook stalruimte voor het rundvee en de paarden. In de zandstreken waren de oogsten minder omvangrijk en waren de oogstschuren dus minder groot. In Noord- en Midden-Limburg leidde dit tot de ontwikkeling van een vrijstaande dwarsdeelschuur. In Noord-Brabant was de Vlaamse schuur in gebruik.

Hooiopslag

In de Noord-Hollandse stolpboerderijen en de Friese kop-hals-rompboerderijen werdt het hooi inpandig, op de grond in de grote tasvakken tussen de gebintstijlen opgeslagen. De boerderijtypen waren hierop berekend, omdat ze dekbalkgebinten hadden. Daarbij liggen de gebintbalken op de koppen van de metershoge stijlen, waardoor er een zee van ruimt is onder de gebintbalken. In het veen-weidegebied van Zuid-Holland en het westelijke deel van Utrecht werden het hooi op de hooizolder opgeslagen. De hooizolder is de zolder boven de deel van de boerderij. Vaak was hier niet genoeg ruimte voor al het hooi. Daarom hadden deze boerderijen ook een of meer hooibergen. In de Alblasserwaard (in het oosten van Zuid-Holland) had veel te kampen met overstromingen. Deze kwamen zo vaak voor dat het hooi niet meer op de grond opgeslagen werd. Al het hooi werd op de hooizolder opgeslagen. Om toch voldoende ruimte te krijgen werd de hooizolder hiervoor vergroot en verhoogd. Boerderijen met een verhoogde hooizolder worden kamelendakboerderijen genoemd.


Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • 'Tasruimtes in en om de boerderij', Landleven 11e jaargang, nummer 4 – juli/ augustus 2006

Links

Verder lezen