Bouwstijl
Naast kleding en kunst is er ook bij gebouwen sprake van een opeenvolging van modes en stijlen. Men spreekt over een duidelijk voorbeeld van een bepaalde bouwstijl als een gebouw een samenhangende vormgeving heeft die zich uit in het materiaalgebruik, de verhoudingen, details, ornamenten en de plastiek van de gevels. Een bouwstijl krijgt doorgaans pas een algemeen geacepteerde naam als deze stijl al pase is.
De Nederlandse architectuurgeschiedenis is alsvolgt onder te verdelen:
- Romaans (950 - 1250)
- Gotiek (1230 - 1560)
- Vroeg Renaissance (1530 - 1565)
- Hollandse Renaissance c.q. Maniërisme (1565 - 1630)
- (Hollands) Claccicisme (1630 - 1700)
- Lodewijk XIV (1700 - 1740)
- Lodewijk XV c.q. Rococo (1740 - 1775)
- Lodewijk XVI ( 1775 - 1813)
- Empire (1800 - 1820)
- Neo-Claccicisme ( 1820 - 1850)
- Eclecticisme ( 1850 - 1910)
- Neo-Gotiek (1830 - 1910)
- Neo-Renaissance (1875 - 1915)
- Chalêt-stijl (1875 - 1915)
- Jugendstil c.q. Art nouveau (1895 - 1915)
- Rationalisme (1900 - 1920)
- Nieuw Historiserende stijl (1905 - 1925)
- Expressionisme c.q. Amsterdamse School (1910 - 1935)
- Zakelijk Expressionisme (1930 - 1940)
- Antroposofische bouwstijl (1900 - )
- Functionalisme (1915 - 1960) met daaronder De Stijl (1915 - 1930)
- Interbellum (1915 - 1940)
- Traditionalisme (1925 - 1960)
- Modernisme (1945 - 1970)
- Structuralisme (1955 - 1990)
- Neorationalisme (1970 - 1990)
- High Tech (1975 - 1990)
- Neomodernisme (1980 - 2005)
De datering van de bouwstijlen die hierboven gegeven is is geldig voor heel Nederland. Op het platteland zeker in afgelegen gebieden kan een bouwstijl langer populair zijn gebleven.
streekeigen bouwstijl
Boerderijen zijn vaak gebouwd in een streekeigen bouwstijl. Dat wil zeggen dat de vormgeving voor het overgrote deel bepaald wordt door de regio waarin de boerderij staat. Daarnaast zijn er soms ook duidelijke stijlkenmerken aan te wijzen die afkomstig zijn van de 'grote' bouwstijlen. Zo zijn er heel veel boerderijen gebouwd rond 1900 waarvan de hoofdvorm duidelijk streekeigen is en daarnaast spekbanden hebben. Spekbanden zijn een stijlkenmerk is dat in de Neo-renaissance erg populair was. Maar er zijn ook boerderijen die helemaal gebouwd zijn in een bepaalde bouwstijl. Dit zijn dan vaak rijkere boerderijen.
Sommige van de hierboven genoemde bouwstijlen komen niet voor op het platteland. Functionalisme, de Stijl en Modernisme zijn stijlen die zich niet goed laten toepassen op een agrarische boerderij. Andere stijlen zoals de Neo-renaissance, Chaletstijl en Traditionalisme komen in sobere vorm wel vaak voor bij boerderijen.
Bron
- Roland Blijdenstijn & Ronald Stenvert Bouwstijlen in Nederland 1040-1940 ( Nijmegen 2000)
- Bureau Helsdingen